Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dames nog geen aanstalten maken te vertrekken, neemt Rosas een houding aan alsof hij diep nadenkt, met de hand aan de kin, om dan plotseling op te staan en op bevelende toon tegen het gezelschap te zeggen: „Komaan, dames, laat ons gaan. De paarden zijn gereed, wij zullen een tochtje gaan maken."

De verbaasde burgeressen volgen hem door een aantal kamers, over een paar binnenplaatsen, tot zij eindebjk bij een schuur komen. Daar haalt Rosas een paar dozijn bezems voor de dag, zet zich schrijlings op enkele daarvan en beveelt de vrouwen dat ze hetzelfde met de overige zullen doen. Dan begint hij te rijden en te springen en net te doen alsof hij werkebjk te paard zit, terwijl de dames zich gedwongen zien hem ieder op hun bezems na te volgen, vol ergernis en vrees, maar nog met de schijn van enthousiasme en de vriendelijke glimlach op het gezicht, die de society als onverbiddebjke eis stelt.

Eerst na een kwartier laat Rosas ze afdruipen; en nu kan hij zodra ze zijn verdwenen, onbedaarlijk bichen en tegen Manuela zeggen: „Zie je wel dat het echte heksen zijn? Ze konden het meteen!"

Neen, van dames die „weglopen" met hem, moet hn ook niets hebben. Eens brengt hun geestdrift voor de Federatie een aantal deftige burgeressen ertoe, in hoogst eigen persoon de zegekar met het portret van Juan Manuel door de stad te trekken. Er wordt zelfs beweerd dat zij daarbij hun kleren uittrokken en ontbloot gingen als de bacchanten die de zegewagens der romeinen opluisteren boven op de antieke triomfpoorten.

Sluiten