is toegevoegd aan uw favorieten.

Charlotte's groote reis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfde wijd geopende, koel onderzoekende, thans ook vaag verwonderde, donkere oogen, - het gelaat slechts 'n weinig afgewend om in de richting van 'n grazende geit het platgekauwde grassprietje uit te spuwen.

De weg naar de stad weer afdalende, voelt Charlotte die blik nog m haar rug, en steeds meer beseft ze, 'n nederlaag geleden te hebben. Is het dan altijd noodig om met elkaar te spreken? Mag men elkaar dan niet 's zwijgend aankijken? En als je dan heelemaal niet met mekaar praten kimt? „Je bent vreemd voor mij," zei de blik van het kind, „en daarom ga ik je eens goed bekijken. Je bent veel blanker dan Ascunsión, m'n groote zuster, veel blanker dan m'n moeder. Niet alleen je gezicht, maar ook je armen en handen, - je komt zeker van waar de zon niet schijnt. En wat gek als iemand, inplaats van gewoon zwart te zijn, zulk haar heeft waar de zon goudig door schijnt, en zulke grijze oogen, die lang niet zoo blinken als andere oogen. Ze draagt geen oorbellen, geen mantilla, geen kam. Waaróm niet? En geverfd is ze waarempel ook al niet! Wil ze dan geen mooie, roode wangen hebben net als Ascunsión wanneer die naar de stad gaat?? Weg jij, beroerde geit, jou ken ik wel, leid me alsjeblieft niet af; ik wil naar de vreemde senorita kijken, die heel alleen uit wandelen is gegaan. Ja, ze heeft wel 'n vreemd, maar toch 'n lief gezicht, daarnet tenminste nog, nou kijkt ze ineens boos. Wat, mag ik die geit geen trap geven? M'n eigen geit?? 't Is toch maar 'n dier?! - Kijk, nou staat ze op en gaat weg, en op mij schijnt ze 't niet meer begrepen te hebben. Ik zou wel 's willen weten wat ik 'r gedaan heb! Wat 'n mal mensch om voor mij weg te loopen... Je kunt hier gerust weer komen zitten, hoor, — ik zal wel weggaan."

In die geest vertaalt Charlotte nu achteraf de blik van het kind, en zij vraagt zich licht beschaamd af, of het niet iets voor 'n preutsch blauwkousje is om zich door zulke landelijke eenvoud op de vlucht te laten jagen. Men kijkt hier in het Zuiden nu ook eenmaal anders. Ze moet weer aan de twaalf donkere, gretige oogen in de kajuit denken, aan de tartend-vrije blik van de kleine Carmen.

De kleine Carmen. Wat die daareven in haar plaats gedaan zou hebben? Charlotte weet het zoodra ze zich het donkere