Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan wurmen en wat hij er al dertig jaren aaneen heeft bestoken met de Jaarmarkt, dat is een geheim, hetgeen door hem wordt meegedragen, straks in het graf. In Streefkerk waren 't alleen maar drie vaarzen, die dom en willig zich gaan lieten, maar niet, zonder de pasgeboende loopplank te bekledderen.

„De brug zwabberen!" gebiedt Kaptein Jas.

Dorus vat zijn puts. Zal 't helpen? Vóór Rotterdam zal hij nog driemaal de brug kunnen zwabberen. Dat is al net als met ons eten. Waar is al dat eten gebleven? Een mensch kan maar aan den gang blijven, helpen doet het geen donderament.

Maar nu varen ze een hoekje door, stroomaf en met de ebbe mee naar Lekkerkerk in één rek. Daar staan zigeuners met paarden.

„Zigeunders? Paarden? Nee, geen zigeunders! In Goes is 't koeienmarkt en ik belief geen wandluizen op de IX!" Daar komt de veldwachter aan te pas, die graag de zigeuners loost. „Maar al kwam je met de Koningin eiges," zegt Jas vastberaden, „dan zou ik nóg zeggen.... Koningin ik neem m'n pet voor U edele af, maar m'n baas in Ridderkerk heeft geordonneerd — geen zigeunders —. En als jouw Burgermeester ze kwijt wil zijn, die zwarte loeders, dan huurt ie maar een eigen schuit. En we varen niet op vasten personendienst en dan maggen we nemen en staan laten wie of we willen. Zeg dat maar aan jouw Burgemeester. Ik vaar een hortje verder.**

't Gaat Dorus aan zijn hart. Er staat daar zoo'n trantel boevenmeidje op 't steiger van Lekkerkerk, zoo'n breekbaar zwart jonkie uit de wagens. Maar Jas is als van ouds, een vent van hout. Zigeunders? Geen zigeunders! Een stoot op de stoomfluit, de korte tjing van de telegraaf, de schroef slaat

Sluiten