Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Keesje, ga j*j Dorus even roepen, maar kom dit keer subiet weerom, verstaan?!

Daar zijn ze weer. , Ja baas Jas, ik was net begonnen toen je me liet roepen; de lui wouwen me eerst allemaal 't een en ander vragen. Maar 'k ben zóó weerom."

Goed. Dorus zou zóó weerom zijn. Maar om honderd fleschjes af te tellen, hoéf je toch geen half uur weg te blijven.

„Wat is dat hier voor een zooi?! Kees, nou ga jij en je brengt Dorus mee, bij dat vullis vandaan; hurt."

Maar ja, hoe gaat dat? Jas wier er eerst nog kwaad om ook. Maar toen bedacht hij, dat hij eens, voor z'n vader, z'n broer Marinus had moeten weghalen uit „De Haven van Port Said" en zoowaar.... hij is zelf in Port Said gebleven, heel den nacht. Zoo gaat dat in de wereld, hij weet het. Maar wie is hier eigenlijk de schipper? Wie is bier de baas, de kaptein? O zoo.... en er moet gehoorzaamheid zijn op het water; zeker als je in den vreemde zonder uitzicht verankerd leit. En wat doen die twee daar in de kajuit? Wauwelen natuurlijk met de wauwelaars. Landsvolk kan tóch alleen maar praten in 't onnoozele. Potdomme wat duurt dat! Wat duurt dat! „Keesje, ga jij eens...."

Keesje vliegt al overend. „Nee. Wacht maar. Keesje ga jij eens hier blijven wachten.... ik ga zien, waar die anderen zitten."

Hij daalt de trap af naar de kajuit en ja, halverwege gekomen, daar ziet hij z'n stoker al neergehurkt zitten, z'n bek wijd open. En tegen de stoombuis aan staat Dorus, de bek nog wijer open. Ze luisteren dat ze zweeten. En heelemaal achterin de schuit, op 't hout rond de schroefas, zit een vuile dikke bedelvent z'n verhaal te doen. Juist als hij aan al 't geluid zoo gewend is, dat hij die stem onderscheiden kan, zegt die lompenbaai: „toen brochten ze die verzopen meid

Sluiten