Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antwoord. En na een kwartier, ja na een uur, bleef dat mistteeken in 't Noordwesten van eendere sterkte en op dezelfde stee.

„Dat moet een schuit zijn, die net als wij, terzij het vaarwater voor anker leit. Ik denk, de veerboot naar Brouwershaven. Was baas Jas maar niet van boord gegaan. Onrust is kwaaier dan honger. En wat kannen we doen? Geen asempje hulp kunnen we bieden. Waarheen? Dat is kwaad wachten, Keesje."

„Ja. Dat is kwaad wachten," beaamde Keesje en hij vroeg, om nou maar weer wat naar de kajuit te mogen; hij was huiverig tot op zijn beenderen. En zoo bleef Dorus alleen, gehurkt op het dekzeil, uitziend en blazend. Alleen die schuit daar gunter, gaf teeken van leven. En toch bleef hij blazen, urenlang blazen; ieder kwartier twee keeren.

Kwam daar wat donkers los uit de dampen? Ja, en... hij blies... geen antwoord. Dat is dan weer zoo'n mistroller geweest, of (hij knipperde met zijn oogen) vocht dat aan z'n oogharen hing Of... verschijningen die er niet zijn, vanwege het turen zonder end, in een witte wakke brij. Nee... dat is niet goed geweest van Jas, dat had de schipper niet maggen doen, in zoo'n zware hei uitvaren en je leven wagen in een sloep van twee ton. Misschien zijn ze wel ievers overvaren, zonder dat het gehoord of gezien is. En als 't nog gehoord is? Ga maar eens naar drenkelingen visschen in zulk een damp. Wie te water gaat, is verloren. Hij blies dan nog maar eens. En hij blies nog eens. En weer blies Dorus. En 't wier donker. Hij wist wel, dat het niet veel uitmaakte, of 't nu donker was of dag; zicht was er toch niet. En in den avond reikt het licht nog altijd een paar meter verder. Als de schipper maar in 't geluid kwam van zijn hoorn en later den roeper kon ver-

Sluiten