Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar 't is, alsof ze dat ruiken. Ze blijven als klitten tezaam. Hfl stuurt er een weg om aan Jas wat te vragen over 't drinkwater, een ander met de schillen voor de koeibeesten en dan holt de derde flodderig weg om een neusdoek. Net een schichtige patrijs in een griend ... ongrijpbaar.

En 't ergste, dat kwam nog. Ze hebben aan 't dek met Keesje gestoeid, zoodat hij ze barsch weerom roepen moest, ze hebben Keesje verlegen gemaakt, de serpenten. Ja, dat durven ze, zoo'n blaag, zoo'n keind aan te vatten. Dat moesten ze hèm durven; hij zou ze, hij zou ze... de troelen. Maar hij zou niets, want toen ze weerom waren en breeduit weer zaten, om verder te werken aan 't maal voor heel de scheepsbezetting, bleef bij ze bangelijk en met ingehouden kwaadheid op hun vingers zien. „Maar we kunnen je hier best missen, Dorus," plaagde die roste: „ja, waarom blijf je eigenlijk bij ons zitten, pottekijker."

„Wil keukenmeissie worden in een heerenhuis," loech de zwarte en daarbij liet ze hem al heur tanden zien. Hè, wat een loeders. Maar wat een mooie bek met tanden.

„Dat zal ik jullie vertellen, akelig voddengoed. De schipper heit me opgedragen, hier te zijn. Waarom... dat maken jullie nou zelf maar uit."

„Worden we niet vertrouwd?"

„Bij ongeteld goudgeld. Maar gelukkiglijk hebben we 't niet aan boord."

„Zeg, Dorus, mooie jongen, zet jij je petje eens af. Je hebt van dat mooie haar," treiteren de meiden van den wal.

„Nee... sar maar door meiden... jullie krijgen mijn hier toch niet weg bij 't proviand."

Zoo ging dat, over en weer. Soms, als zoo'n valsche kat opstond om wat te halen of zich boog, raakte een meisjesarm

Sluiten