Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel goddomme! Heb ik dien mist besteld?"

„Weet ik niet. Maar ik zéker niet. En ben ik schipper of ben jij schipper. Moet ik de Sas van Goes vinden, of jij. Ieder zijn werk, zeg ik maar."

„Jij zou dan willen," nijdaste Jas, „dat ik m'n leven veur jullie waagde en dat de reederij nog geld toegeven moest óók? Schaam je eigen. M'n handen zitten onder de blaren, maar ik heb lust om je hardhandig af te zetten op de slikken van Sint Japik. Dan kon je eigens den weg vinden naar Goes!"

En dat woord maakte zooveel indruk, dat ze allemaal om 't hardst verklaarden, dat er voor 't eten wel zeker zou moeten betaald worden. En ineens zei het koektentventje:

„Jas, je hebt alles gekocht en betaald?"

„Docht je, dat het eten daar gunter te geef is?"

„En heb je nou zeker voor allemaal genog."

„Ouwe neut... nou wil jij wel koek slijten hè?" wier er geroepen. „Maar nou- is het te laat, waar Jas; we barsten in het eten."

, Ja..." antwoordde Jas droomerig, „we barsten in 't eten als 't niet lang meer duurt; maar het water is schaarsch. En vanmorgen heit er een aan de filtreer' gezeten, wie... dat is me onbekend."

„Nou zal ik toch op staanden voet doodvallen, als ik dat gedaan heb," bezwoer Jochem, „de leste veertig jaar heb 'k geen druppel water meer over m'n lippen gehad." En daarover was heel geen dispuut; Jochem werd geloofd.

„Wel magge 't u bekomen," zegde Tante Mieke, na gebeden te hebben. Ze lekte heur lippen af en nam waar weer haar breiwerk op. „En als 't van nu af, niet kwaaier wordt aan boord dan zoo, dan zullen we 't wel weer overleven."

Sluiten