Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

touwpluizen, zakjes plakken, boekbinden en soldatenhemden naaien; dat is hoop ik toch wel wat minder dan niks. Maar die schrikkelijke werkloosheid... af fijn, ik was toen nog jong. En vlug ter been. Nou moeten jullie voorstellen; Mast wijk, dat is een buurtschap tusschen Montfoort en de Meern, een end zonder end. En daar heb je boerenhuizen, en ook nog enkele burgerhuizen, die heelemaal alleen achter in het land staan; plezierig voor een mensch, die, zooals ik en Chef, het van het mededoogen van 't menschdom motten hebben. En in een van die achterafsche burgerhuizen, eigenlijk was 't meer een soort kasteeltje — er was ook een gracht om, maar die lag leeggeloopen — daar woonden drie ouwe juffrouwtjes en een broer, 't Waren brave wijfie's, van eenen kant uit bezien. Ze deden nog geen vlieg kwaad. Van beesten allerlei soort en slag hieuwen ze veel. Maar menschen deden ze wèl kwaad. Maar van menschen hieuwen ze dan ook niet veuL Hoe is zooiets toch mogelijk? Die ouwe wijfie's woonden in een mooi huis, onder mooie ouwe boomen en 't zat er stikkens vol met een overzeesch soort katten, papegaaien, uitheemsche vogeltjes, allerhand soort kleine mormelhondjes en meer van dat vullis. Dat zou mijn leven zoo niet zijn, zoo koekeloerend bij natuur en beest. Uk hou' nou eenmaal meer van menschen, dan van boomen, en (heel zuiver doorgeredeneerd) meer van jonge deerntjes, dan van ouwe schoenmakertjes. Ja, ja, lieve dochtertjes daar in den hoek, lach maar zoo niet. Het is waar. Al heb ik jullie nog als luierkinderen zijnde gekend, toen jullie zoo mooi nog geen liedjes zingen konden en bij je vader en moeder inwoonden in een woonschuit of een wagen, jullie zijn nou aardig opgegroeid, ik mag dat jonkvolk wel. Dat zijn de blommetjes op 't stoffige gaanpad van ons leven. Lange bloei hebben ze niet, maar ..."

Sluiten