Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jochem, blijf bij je verhaal."

„Ja menschen, maar als ik aan die ouwe zure wijfie's denk, dan moet ik het toch altijd even (bij wijze van mondje spoelen) over jonge vrijvogeltjes hebben.

„We kwamen er eens in de veertien dagen, waar Chef? En altijd bekwamen we ook wat. Maar je moest er dan ook heel wat voor doen. Al het kwaaie nieuws, wijd uit den omtrek moesten ze weten: een vent die ze in de kast hadden gesloten wegens slechtigheid op z'n eigen werf, weggeloopen mannen of vrouwen, die 't niet meer harden kosten nevens elkander ... van dat soort nieuws. Als er niks was... nou dan verzonnen we maar wat, waar Chef? Dat hoort nou eenmaal bij je broodwinning. Maar dat ging goed, zoolang het goed ging. Kwamen ze er achter en dat kwamen ze, dan was de wereld te klein, als je zonder erg achterom gewandeld kwam. En dan verzonnen ze de gemeenste streken. Zoo hebben ze eens drie centen voor ons neergesmeten, in 't korte gras van de bleek voor hun huis. Weet je 't nog, Chef? En toen je ze grijpen wou, weet je 't nog? toen lieten ze twee van die verdomd venijnige aapjes los en die hielpen mee zoeken. En 't was toch zonde, om 't goeie geld in het gras te laten liggen en omdat Chef nog altijd beter bukken kan dan ik, daarom zee ik: Chef, we laten ons door geen apen kisten, ga d'r op af. — En dat is me daar een geniepig gevecht geworden, schrikkelijk, schrikkelijk. Chef, laat jij je lidteekens nou eens netjes aan de dames en heeren zien. Maar 't ergste was, de apen hadden de centen en wij bleven er kond van. Zijn dat nou serpenten, of zijn dat geen serpenten?"

„Dat zijn serpenten!" vond Bartje Rijkelijkhuizen.

„Goed gezegd, Bartje!

„Maar ze woonden niet alleen, daar achter in Mastwijk, die

Sluiten