Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toen hij ze van zich af geschud had, dregen ze den bul los te laten... want een bloedhond hadden de engeltjes ook al. Naderhand stuurden ze daar nog een brief over naar de hooge oomes van de post, Gert Koeimoes heeft er nog veel narigheid van gehad.

„Maar wat deden toen die valsche muishondjes? Eén trok er naar de stad en zocht daar een krantje uit, dat niet veel kostte, 't Mocht namelijk nooit veel kosten bij die heksen. Maar dat krantje verscheen iederen dag en 't is waar, zoo waar als we hier vast zitten in den mist, ze keken het nooit in. Ik heb er op een mesthoop wel honderd van die krantjes zien liggen, waar 't bandje nooit af geweest was. Maar van toen af moest Gert Koeimoes dag aan dag dien loop er bij maken. Twintig minuten iederen dag. En daar aangekomen, stond altijd wel een van die serpenten klaar, om 't krantje aan te pakken en om wat vriendelijks te zeggen over het mooie loopje. Dat heeft zoo geduurd, tot de ouwe Gert op pensioen ging. toen wier als de wind dat krantje afbesteld, ,,'t Is me een duur hondje geweest, dat ik daar de zaligheid heb ingetrapt," placht Gert Koeimoes te zeggen. En zelfs nadat hij op pensioen was, kon hij nooit den kant uitkijken van de drie wijfies, of hij hief dreigend zijn stok.

„En wat ze nog meer hebben bestoken, 't Is allemaal even schrikkelijk en even geniepig. Ik heb me nog het volgende laten vertellen. Jullie weten nou; ze hadden een hoop van die uitheemsche katten met lange haren. Op een nacht moet er een veldkat, van dat verwflderde soort zoo er huizen in holle boomen, in den huis gekomen zijn, een halve tijger was het, en nog wel een kater, 't Was voorjaar en de poesjes dartel, je begrijpt, dat gaf lief katjesspul. Maar o menschen, toen ze er van wakker wieren en dat monster vonden tusschen hun

Sluiten