is toegevoegd aan uw favorieten.

Een stoombootje in den mist

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader, die uitzuinigend, zijn pijp niet eer stopt, tot hij 't vuur voelt branden op z'n tong. En moeder, die maar met enkele guldens in de week, allen heeft moeten van eten voorzien; maar niet te vragen, wat voor eten dat soms was. Koeienmagen waren voor hun en de uiers ook; het vleesch is voor boer en heer. En als je oud reuzelschraapsel opkoopt en nog maar weer een keer uitsmelt, dan spaar je boter uit voor de kinderen; zoo heeft hij dat al z'n jaren voor zich gezien. Ze hebben allemaal klieren gehad en hoepelbeentjes; de jongsten nu nog. Aarpels waren er doorgaans wel genoeg, die teelden ze zelf. Maar dat zet zoo niet aan, alleen dan voor een hangbuik. En nu de laatste jaren, verdienen er drie van de veertien een grijpstuiver mee. Hij als koeidrijver; daar komt hij ook de buurt mee uit en weg van de heugenis aan ellende. Hij ziet nu steden en markten en 't land is groot. Op hem volgen twee zusjes, die dienen in Termeij, voor den kost, voor kleer en nog wat geld voor moeders. Maar hij ligt nog thuis en draagt alle verdienste netjes af, op wat centen voor pruimtabak na.

Wel is hij wat jong om al te pruimen, maar 't spaart rooken uit en ze hebben thuis z'n drijversgeld zoo bar, zoo bitter noodig. Ook is hij nog wat te jong om al te vrijen, zéker te jong om met een' meidje aan zijn arm thuis te komen, maar als er in een jong bestaan zoo heel weinig levenspleizier is geweest en daar val je ineens, aan 't dek van een veebootje op Goes, in de armen van 't blije avontuur, in de armen van Doortje, dat is toch zooveel als de rijkste rijkdom. Hij denkt daar bij zijn koeien aan twee dingen, en aan die twee dingen doorelkaar. Als hij nog meent het eene ding vast te hebben in zijn gedachte, dan dwerrelt het andere daar weer tusschen door. Hoe heeft hij geweten en dat zoo gauw, dat Doortje wel hebben wou, dat bij heur (zoo'n stadsch vogeltje) beet-