Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enge ruimte. Hij gaat zijn melk afgeven bij de koeikoopers en vertellen, hoe 't staat met het voer en hoe de droogte de beesten kwelt. En beneden aangekomen daar ziet hij, hoe in een dikke slaaplucht lijven zich in verveling rekken. Maar er is ook al volk, dat water geputst heeft en zich frisch heeft afgewasschen. Op de kajuittrap komt hij Jochem tegen. „Psst" zegt de vette baal voddenkleer: „ik moet jou eris wat vertellen. Vroeger jaren toen zongen ze een liedje en dat begon:

Daar waren twee aardige menschen Die hadden malkander zoo lief...

Nee... krijg nou maar geen verstijving; ik zal je niet over de tong halen, ik weet veuls 't goed... H is zónder dat al erg genoeg... de liefde."

„Wil je een dubbeltje hebben?" vroeg het dr ijvert je doodsbenauwd.

„Je kan van mijn een dubbeltje krijgen en je kan d'r ook nog twee van me krijgen, als je d'r snoepgoed voor gaat koopen, of een stuk worst. Dan heb je tenminste wat in je lijf." En grinnekend als een ouwe hit trok hij naar 't dek, om eens te gaan kijken, wat voor soort weer het vandaag wel zijn zon, naar hij beweerde.

En Doortje had het beneden druk. Ze had heur haren al gekamd met haar vingers en nu sprong ze rond tusschen de andere liedjesmeiden, om gauw den boel beneden op te rijven. Dat ging gezwind, maar vraag niet hoe. En toen kwam er brood met koffie en trokken de meiden weer naar het kombuis, om Dorus te helpen... en daar zat de drijver doodsellendig alleen, tusschen een schuit vol wauwelend, sauwelend, kauwend en herkauwend volk.

Maar 't zou dien dag toch ook middag worden en avond. Stoombootje 10

Sluiten