Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Teekenend is ook de uitspraak in: „Davidischof Salomonisch": .Zekerheid is er echter wel, dat de christelijke kunst, (als men daarvan mag spreken) van onzen tijd haar Davidische roeping, door Kuyper als kunstphilosoof zoo meesterlijk en zoo juist op meer dan één plaats geteekend, niet eens heeft beseft.

Ze koos voor het Theocentrische het anthrope-, het egocentrische principe en nog wel het pathologisch-egocentrische van de in degeneratie begrepen beschavingstoestand der WestEuropeesche cultuur. Het werd — en dat is er Salomonisch in — een naloopen — nahoereeren zeggen de profeten — der Astharoths van haar gemoderniseerd heidendom"

Deze gedachten vindt men nader uitgewerkt in zijn werk: „Moderne Kunst en Ontaarding", voornamelijk in bet hoofdstuk „De moderne Kunst en wij".

BIBLIOGRAFIE:

19(8 „Poëzie".

1907 „Van Hollands Kusten" (verzen). 1907 „In 's Levens Opgang" (roman).

1921 „Een vergeten dichteres uit de 18e eeuw" (historische studie).

1921/22 „Keurgerechten van Nederlandsen Proza en Poëzie" (school-bloemlezing).

1926 „Moderne Kunst en Ontaarding" (critisch proza).

1926 „Wat Verzen en Proza" (verspreid werk).

1927 „Davidisch of Salomoniach" (brochure).

1928 „Proeve eener nieuwe verklaring van het Hooglied".

Sluiten