Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. Jezus komt toch niet terug, en... het vruchteloos verbeiden van dag tot dag begint eindelijk ook Simon Petrus te verdrieten. Ik ga visschen, zegt hij tot de andere zes, en in dit woord trilt de teleurstelling van zijn hopende ziel. In ga, zoo wil hij zeggen, weer tot mijn oud werk, tot mijn schuit en mijn netten terug. Wij zijn nu toch zonder den Meester en Hij blijft weg. Van onze idealen zal wel niets terecht komen en wij moeten wat doen voor de kost. Zoo lang werkeloos uit te kijken is niet vol te houden, dus... ik ga visschen. En de anderen zijn het met den vurigen Simon geheel eens. Wij gaan met u, antwoorden zij, en — de fijne pen van Johannes teekent ons dit tafereel zóó levendig, dat wij het zevental zien gaan naar strand en schip — zij gingen uit en traden terstond in het schip.

Zoo gaan de discipelen visschen, omdat Jezus er niet is.

Hij houdt Zich verborgen en Hij laat op Zich wachten.

Hoewel de Heiland er wel Is en Hij hen niet vergeet. , Zijn verborgenheid beteekent niet afwezigheid of gescheidenheid, want achter de dichte sluiers der omhulling is de levende Heiland, Die den dood overwon, met Zijn jongeren bezig.

Al hun doen wordt door Hem geleid.

Hij bestuurt het zoo, dat zij gaan visschen en hun gewone werk ter hand nemen, opdat straks in dat gewone werk Zijn heerlijkheid zal openbaar worden.

Hij toeft te komen, opdat het tweede wonder der vischvangst de discipelen leere, dat van hun werk alles terecht komt en zij door Hem en in Zijn kracht visschers der menschen mogen worden.

* *

De verborgenheid van Jezus, die eerst hierin bestaat, dat Hij Zijn jongeren lang op Zich laat wachten, is echter meer.

Zij moet ook hierin worden gezocht, dat Hij hen op de zee alleen laat en hen voert van de eene teleurstelling in de andere.

Want zij visschen den geheelen nacht, maar zij vangen niets.

Zij werpen het net uit en halen het weer in maar geen enkele visch wordt opgehaald en het is voor de discipelen na alle teleurstelling, die ze doorgemaakt hebben, een nacht van vergeefschen arbeid en van vruchteloos zwoegen en slaven. Het is om er moedeloos bij te worden, en de harten der jongeren buigen zich ook diep terneer. Zij worden zelfs kregelig gestemd en die bittere stemming uit zich zoo echt-natuurlijk in het korte, onvriendelijke antwoord, dat ze in den vroegen morgen aan Jezus geven. De Heiland, Die aan den oeverkant staat, zonder dat zij weten, dat het Jezus is, vraagt hun heel vriendelijk: Klnderkens, vrienden, hebt gij ook

Sluiten