Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat 's Heeren zegen op u daal! Zijn gunst uit Zion u bestraal, Hij schiep 't heelal Zijn naam ter eer; Looft, looft dan aller heeren Heer.

Psalm 134.

II. De wachtende kerk is niet alleen de kerk, die wacht, maar ook de kerk, die wacht.

Deze allen waren eendrachtiglijk volhardende In het bidden en smeeken zegt Lukas, en in dit bidden en smeeken is in de eerste plaats de geloofsgehoorzaamheid van Christus' kerk aan haar Koning en Heere.

De Heiland had, gelijk wij reeds zagen, Zijn discipelen uitdrukkelijk bevolen: blijft te Jeruzalem, totdat gij aangedaan zult worden met kracht uit de hoogte, verwachtende de belofte des Vaders, die gij van Mij gehoord hebt, en zij hooren naar Zijn bevel en gelooven Hem op Zijn woord. De vroegere ongeloovigheid en het vroegere ongeduld, die aan Tiberias' zee hen naar de visscherij gedreven hadden omdat Jezus toefde te komen, zijn hier verdwenen, en zij blijven rustig te Jeruzalem, ook al is Jezus niet meer bij hen. Hij zal, zoo weten zij, hen geen weezen laten en den anderen Trooster zenden. Des Vaders beloften zijn in Hem ja, en op grond van die beloften bidden en smeeken zij. En dit schijnt tegenstrijdig te zijn. Waarom moeten zij nog vragen, waar Jezus heeft gezegd: gij zult worden aangedaan? Waarom nog bidden, terwijl vaststaat: gij zult ontvangen? Waarom smeeken, terwijl de pinksterstorm reeds aanzwelt? Omdat de Geest komen wil tot een wachtende, biddende kerk, en dit juist het kenmerk is des geloofs, dat het, zeker van de vervulling, om die vervulling smeekt en vertrouwend op Gods woord van Hem den zegen bidt. En dan is dit bidden geen vragen, omdat het zoo hoort, en een roepen tot God in den sleurgang der gebeden. Neen, de wachtende kerk bidt en smeekt, zegt Lukas, en hij bezigt deze twee woorden om ons de kracht en den ernst van dit bidden te doen gevoelen en de gemeente te teekenen als een kerk, die den Heere aanloopt als een waterstroom. Hier wordt geworsteld: och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, o Trooster. Hier wordt geroepen: kom, o Geest des Heeren...

En dat niet een enkele maal.

Zij waren volhardende in het gebed.

Zij hebben, voor zoover het gewone leven dit toeliet, deze tien dagen met smeeking doorgebracht, en niet opgehouden het aangezicht des Heeren te zoeken.

Ook al duurde het nog tien dagen eer de Geestesstroom werd uitgestort.

De kerk heeft het moeilijke werk van het wachten biddend verricht, en zij heeft dit ook eendrachtiglijk gedaan.

Gekroond ^

Sluiten