Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op deze vragen willen wij het antwoord beluisteren, wanneer wij van ons Pinksteren, dat tusschen de schepping en de voleinding instaat, zien naar het begin en naar het einde aller dingen.

Wij hooren naar de goddelijke boodschap van

DE KOMST VAN DEN GEEST

en overdenken

I. waarom deze komst noodzakelijk is,

II. hoe deze komst plaats vindt,

III. waarop deze komst uitloopt.

1. Het feest van den Geest is het feest van des Troosters komst op deze aarde.

Het is het feest van den dag, waarop God onder ons komt wonen, en die woning des Eeuwigen biedt de stof tot onze pinkstervreugde en pinksterpsalmen.

Maar deze inwoning Gods, die wij op ons Pinksteren vieren, is, gelijk wij zooeven zagen, niet de eerste komst des Heeren in deze wereld. Ons Pinksteren wordt door een ander Pinksteren voorafgegaan, en dat bevreemdt niet, want ons pinksterfeest is het feest der herschepping, en de herschepping veronderstelt de schepping en is het goddelijk herstel van hetgeen in die schepping verbroken was. Welk Pinksteren, zoo vragen wij, kent dan de schepping, en wat is gebroken en verscheurd, dat op ons pinksterfeest weer herstel ontvangt? Op die vragen geeft de Schrift ons het antwoord, wanneer wij onze gedachten van den pinksterdag in de volheid der tijden laten leiden tot het Pinksteren in der tijden begin, en ons eerst bezinnen op de komst van den Geest Gods tot de wereld in haar vroegen morgen. Hoe komt dan de Geest tot de aarde en wat is het terrein, waarop Hij hier werkt? Dit terrein is de aarde, die woest en ledig, die vormeloosheid en ledigheid is. In haar is nog alles ongeordend. Er is nog geen scheiding tusschen water en land. Alle vorm en gestalte ontbreekt. De chaos is nog geen kosmos; deze wereld kent nog geen ordening en harmonie, en ongebreidelde krachten woelen en strijden door de ongevormde stof, die wacht op de volle openbaring van de levensglorie. En omdat de ordening nog niet is ingetreden, is de aarde, die nog als de wateren golft en geen vasten vorm heeft aangenomen, ledig. Op haar groeit niets en bloeit niets. In haar trilt wel het leven maar er is geen levensuiting, en over haar, op den bajerd, is enkel duisternis. Alles is nog in den nacht verborgen. Er is niets te onderscheiden, er is geen levensopenbaring, en alles verbeidt den blijden morgen der inwoning Gods.

Sluiten