Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der paradijs-weelde, en zegt: hoe groot zijn Uw werken, o Heere en hoe majestueus is Uw arbeid, o Geest van God.

Alles wat adem heeft, love den Heere.

En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal.

Want boven alle schoonheid in de schepping gaat de schoonheid der genade, dat deze Geest met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn.

En rijker dan de wondere akkoorden der scheppingshymnen is de zieleklank van Gods kind door den Geest: Abba, Vader.

* * *

Maar... wanneer deze eerste komst van den Geest tot de wereld zoo rijk is, waarom volgt dan in de volheid der tijden een tweede Pinksteren?

Waarom moet de Geest Gods, Die als de Vervuiler en Voleinder van het werk van Vader en Zoon in de schepping hier een woonplaats vond, opnieuw tot de wereld nederdalen en opnieuw worden uitgestort?

Omdat, en dat is het thema der ellende, waaruit ons pinksterlied der verlossing opklinkt, de heilige orde, die des Geestes levenskracht uit de woestheid te voorschijn gebracht had, verbroken, en het licht, dat eens over de duisternis triomfeerde, verdonkerd is. Er is in deze wereld een groote, droeve, bange keer gekomen. Op de schepping is de verstoring gevolgd, en die verstoring vangt aan, waar de schepping eindigt. De zonde begint althans hier op aarde, waar Gods formeeringswerk zijn hoogtepunt bereikte en zijn kroon vond, want de breuk wordt eerst geslagen in het hart van den mensch. De beelddrager Gods valt van zijn Maker af. Het kind wordt den Vader ongehoorzaam, en op hetzelfde oogenblik is het met de inwoning des Geestes in ons gedaan. Lichaam en ziel zijn Zijn tempelen niet meer, en... ja, nu is van nature ons hart en leven, maar dan in anderen zin, woest en ledig. Er heerscht geen harmonie en vrede meer. De volheid van vreugde en gemeenschap is geweken. Geen sabbatsrust spreidt zich over de aarde uit De bange nacht van den dood heerscht over den afgrond van ellende, waarin wij verzonken zijn, en in zulk een chaos kan de Geest niet meer wonen. Ja, sterker nog, met zulk een mensch moet Hij twisten en tegen den zondaar moet Hij strijden. Want Hij wekt niet meer het leven en brengt niet langer het leven tot heerlijkheid, maar Hij voert tegen den schuldigen overtreder de rechtvaardige worsteling van Gods gramschap, en: alle vleesch is gras, en al Zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast (Jes. 40 : 6, 7).

De omkeer is wel angstwekkend groot.

Sluiten