Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

later verwijderd of goedgekeurd zijn, toen al de Psalmen tot een enkel boek werden vereenigd ten gebruike der liturgie van den tweeden tempel. Sedert dien tijd had iedere dag der week zijn eigen Psalm, zooals zulks door sommige opschriften nog wordt aangeduid; andere Psalmen werden gezongen bij gelegenheid van het Paasch-, Pinksteren Loofhuttenfeest en bij het herinneringsfeest der tempel wij ding; andere bij bepaalde offers; wederom andere werden in de huizen, vooral bij het eten van het paaschlam, zoo niet gezongen, dan toch gebeden. Dit gebruik volgde ook de Heiland, toen Hij met zijne leerlingen bij het laatste Avondmaal «den Lofzang» bad, welke ten minste uit één, waarschijnlijk uit meer Psalmen bestond, en toen Hij (naar Matth. XXVH 46 en Luc. XXIII 46) aan het kruis hangend, met de woorden van Psalm XXI 2 over zijn verlatenheid weeklaagde, en met die van Psalm XXX 6 zijnen geest beval in de handen zijns goddelijken Vaders.

Oudtijds was men, meer dan thans, gewoon de gedichten zingend voor te dragen. Zoo werden dan ook de Psalmen door de Joden ter opluistering der openbare godsdienstoefeningen gezongen, en wel, zooals uit de Psalmen zelf blijkt, met begeleiding van muziekinstrumenten. Alhoewel ons nu de zekere en juiste kennis van de grondregels der muziekleer bij de Joden en van den bouw hunner speeltuigen ontbreekt, schijnt het toch vast te staan, dat zij de Psalmen eenstemmig zongen, volgens eenige bepaalde melodieën, waarvan er, naar men meent, enkele aangeduid worden in de opschriften der Psalmen. De begeleiding door muziekinstrumenten geschiedde insgelijks «unisono» of wel een octaaf hooger of lager. Bij de plechtstatige openbare liturgie zongen alleen de levieten; het volk beantwoordde hun gebed slechts met «Amen». Buiten de liturgie echter bad en zong ook het volk in den tempel met luider stem. Mogelijk is het, dat sommige Psalmen gezongen werden door eenen voorzanger; in dat geval antwoordde hem een koor, dat of wel de reeds door hem voorgedragen verzen, of wel, zooals in Psalm CVI 8, 15, 21, 31, een ingeschoven keervers of refrein herhaalde. Meestal echter werd, naar het schijnt (vgl. H Esdr. XH 31, 39), alles gezongen of door een enkel koor, of wel door twee, die elkander bij wijze van antiphona of wisselgezang antwoordden. De schikking trouwens van sommige Psalmen maakte een uitvoering door twee koren noodzakelijk.

Op het voorbeeld van Christus bleven ongetwijfeld de eerste bekeerlingen uit de Joden de Psalmen gebruiken in hunne dagelijksche gebeden. Ook de Kerk nam het Psalter van de oude Synagoge over in hare liturgie. En hoe kon het anders? Nu de Verwachte der volkeren eindelijk was verschenen, nn Hij had geleeraard, geleden en gezegepraald, werd het Psalter beter in zijne volle beteekenis begrepen. Wilde de Kerk het menschgeworden Woord, haren Koning en Bruidegom, die aan de rechterhand zijns Vaders zetelt, verheerlijken, beter kon zij het wel niet, dan met de liederen, waarin vóór eeuwen die menschwording en die zege was voorspeld. Met het Psalter werd ook het psalmgezang overgenomen, en toen zich nu bij de bekeerde Joden in steeds grooter getal de bekeerlingen uit het heidendom kwamen voegen, vooreerst de

Sluiten