Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sus Dominum, et adversus Christum ejus.

3. Dirumpamus vincula eorum: et projiciamus a nobis jugum ipsorum.

4. Qui habitat in coelis irridebit eos: et Dominus subsannabit eos.

5. Tune loquetur ad eos in ira sua, et in furore suo conturbabit eos.

6. Ego autem constitutus sum rex ab eo super Sion montem sanctum ejus, praedicans praeceptum ejus.

7. Dominus dixit ad me: Filius meus es tu, ego hodie genui te. Act. XIII 88; Hebr. I 5 et V 5.

8. Postula a me, et dabo tibi gentes hereditatem tuam, et possessionem tuam terminos terras.

sten3) tegen den Heer en tegen zijnen Gezalfde4).

3. Laat ons verbreken hun banden en weg van ons werpen hun juk*)!

4. Die in de hemelen woont zal hen belachen, en de Heer zal hen bespotten*).

5. Dan7) zal Hij tot hen spreken in zijn toorn, en in zijn verbolgenheid hen met ontzetting slaan.

6. Ik8) echter ben door Hem als Koning aangesteld op Sion, zijnen heiligen berg; Ik zal zijn bevel verkonden:

7. De Heer sprak tot Mij: Mijn zoon zijt Gij; Ik heb heden U verwekt9).

8. Eisch van Mij10), en geven zal Ik U de heidenen tot uw erfdeel, en tot uw eigendom des aardrijks einden.

') Wie door de heidenen en de volken, de koningen en de vorsten bedoeld worden, blijkt uit Act. IV 25—27. Buiten Herodes en POatus worden zonder twijfel allen gemeend, die zich aan, de wet van God en zijnen Gezalfde willen onttrekken, in bandelooze vrijheid leven en tegen Christus en zijne Kerk samenspannen.

*) Hebr.: «maschiach». De naam van den Messias is aan deze plaats ontleend. Gezalfd werden de hoogepriesters, de koningen en somtijds de profeten; zinnebeeldelijk werd daardoor de mededeeling der gaven van den H. Geest aangeduid. De Zaligmaker wordt daarom bij uitnemendheid de Gezalfde genoemd: vervuld van den H. Geest is Hij de hoogepriester, profeet en koning bij uitstek.

*) Deze oproerkreet werd inderdaad door de Joden tegen Christus uitgestooten. VgL Luc. XIX 14; Joan. XIX 15.

") De Heer, Hebr.: «Adonaï». God zal hen bespotten door daden, hunne plannen verijdelen, hen behandelen geheel overeenkomstig hunne dwaasheid.

T) Telkens als Hij zijnen tijd gekomen acht, zal Hij tot hen spreken met woorden en daden.

•) Aldus de Gezalfde van v. 2. Naar den grondtekst zegt hier de Vader: «Ik

heb mijnen Koning aangesteld over Sion, den heiligen berg»; waarbij de Zoon dan voegt: «Ik zal zijn bevel verkondigen». Door deze woorden wordt het goddelijk gezag gehandhaafd tegenover den oproerigen kreet van v. 3. Sion staat nier voor Jerusalem, de voorafbeelding der Kerk, het Rijk van Christus, dat Hem door een bevel, d. i. door zijns Vaders wil, dien Hij in v. 7—9 gaat verkondigen, is toegewezen.

9) Dat hier niet van een geschapen gunsteling, maar van een eigenlijken Zoon en een eigenlijk verwekken of voortbrengen sprake is, blijkt uit de overlevering, uit Hebr. I 5 en uit den samenhang: aan den Messias dienen zich allen te onderwerpen, omdat Hij de eengeboren Zoon Gods is. Het heden dient dus van de eeuwige voortbrenging des Zoons te worden opgevat. In de eeuwigheid is noch verleden, noch heden, noeh toekomst; zij is, zegt Dionysius Carth., het eindeloos en tevens volmaakt bezit des levens. Sommigen leggen het verwekken, naar HebrZy 9» uit van de voortbrenging in den schoot der H. Maagd; anderen, naar Act. XIII 33, van de verrijzenis en hemelvaart van Christus.

10) Zijt Gq mijn Zoon, dan zijt Gij ook Koning en hebt Gij recht op on.

Sluiten