Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Reges eos in virga ferrea, et tamquam vas figuli confringes eos. Apoc II 27 et XIX 15.

10. Et nunc reges intelligite: erudimini qui judicatis jberram.

11. Servite Domino in timore: et exeuUate ei eum tremore.

12. Apprehendite disciplinam nequando irascatur Dominus, et perefltis de via justa.

13. Cum exarserit in brevi ira ejus, beaii omnes, qui confidunt in eo.

9. Bestieren zult Gij hen met ijzeren schepter11), en als het vat eens pottebakkers zult Gij hen vergruizen.

10. En nu, o koningen, weest verstandig; laat u vermanen, rechters der aarde.

11. Dient den Heere in'vrees en juicht Hem toe met ontzag1*).

12. Neemt regel en tucht aanu){ opdat de Heer niet toorne, en gij niet van den rechten weg af ten verderve gaat.

13. Als weldra zijne gramschap zal ontbranden14), gelukkig allen die op Hem betrouwen.

PSALMUS III.

PSALM III.

God onze toevlucht en hulp in gevaren.

Ternauwernood aan eene nachtelijke overrompeling ontsnapt, beklaagt zich David in den vroegen ochtend «ver het oproer van Absalom en het afvalliqe volk. — Tal van vijanden bestoken David (v. 2—3). Hij echter roept God aan (v. 4—5). God beschermt hem (v. 6—7). God verplettert David's vijanden, maar zegent hem en de zijnen (v. S—V).

1. Psalmus David, cum fugeret a facie Absalom filii sui. IIReg.XV14.

2. Domine quid multiplicati sunt qui tribulant me? multi insurgunt adversum me.

3. Multi dicunt anima? meae: Non est salus ipsi in Deo ejus.

derdanigheid; daarom wil het slechts, en niet alleen de Joden (v. 6), maar ook de heidenen, dus alle volkeren, zullen U gehoorzamen.

") De ijzeren schepter is het zinnebeeld van Gods onwrikbare rechtvaardigheid en onwederstaanbare almacht. Met deze uitgerust zal dus de Messias de volkeren bestieren, d. i. ze aan zijne wet onderwerpen en de weerspannigen (v. 2—3) kastijden. In v. 10—13 spreekt wederom de Psalmist.

12) Huldigt Hem hhjmoedig en met liefde, maar tevens met ontzag.

1S) Hebr. «kust den Zoon», d. i. nul-

1. Een Psalm van David, toen hij vluchtte voor Absalom, zijnen zoon1).

2. O Heer, hoe hebben zich vermeerderd die mij prangen! Velen verheffen zich tegen mij.

3. Velen zeggen van mijn ziel: Er is geen heil voor hem bij zijnen God2).

digt Hem door een uitwendig teeken van aanbidding, door het onderhouden zijner geboden.

") Dit behoort wellicht bij het voorafgaande; de slotgedachte van den Psalm is dan: «Gelukkig enz.»

*) Over de betrouwbaarheid der opschriften zie de Inleiding bladz. 17. Mogelijk is het, dat David eerst later dezen Psalm zong en daarbij tevens dacht aan zijne talrijke buitenlandsche oorlogen. .. .

*) Velen van mijne vijanden, of wel van mijne terneergeslagen vrienden.

Sluiten