Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS VTI. PSALM VIL

God helpt den brave tegen zijne ldsteraars.

David, door een lastertong (waarschijnlijk van een aanslag tegen Saül) beticht, vreest in de kanden van den koning en diens talrijke handlangers te vallen. — Hij roept God aan als getuige zijner onschuld (v. 2—6). Hij smeekt Hem om bijstand (v. 7—11). Zijne vijanden bedreigt hij met Gods wraak (v. 12—14). Beschrijving van hunne aanslagen en hunne straffen (v. 15—18).

1. Psalmus David, quem cantavit Domino pro verbis Chusi filii Jemini. II Reg. XVI.

2. Domine Deus meus in te speravi: salvum me fac ex omnibus persequentibus me, et libera me.

3. Nequando rapiat ut leo animam meam, dum non est qui redimat, neque qui salvum faciat.

4. Domine Deus meus si feci istud, si est iniquitas in manibus meis:

5. Si reddidi retribuentibus mihi mala, decidam merito ab inimicis meis inanis.

6. Persequatur inimicus animam meam, et comprehendat, et conculcet in terra vitam meam, et gloriam meam in pul ver em deducat.

7. Exsurge Domine in ira tua:

') Hebr. «Schiggaion», d. i. klaaglied of wel «dithyrambus». Volgens anderen: gezang over de dwalingen, nl. der vijanden.

*) Waarschijnlijk een lasteraar, een van Saül's hovelingen, over welken David zieh beklaagt I Reg._ XXIV 10. Sommigen m eenen, dat Doëg, enkelen dat Saül zelf bedoeld wordt. In den grondtekst wordt hij Chus genoemd.

*) David heeft het hart vol van zijnen tegenstander en vervolger en is er van overtuigd, dat God diens aanslagen kent; daarom noemt hij hem niet eens met zijnen naam. Door de ziel wordt hier het leven bedoeld. .Vgl. v. 6.

*) Indien ik datgene 'pleegde, waarvan men mij lasterlijk beticht; indien

1. Een Psalm1) van David, dien hij den Heer zong wegens de woorden van Chusi, zoon van Jemini*).

2. O Heer, mijn God, op U vertrouw ik; red mij van af wie mij vervolgen en verlos mij,

3. opdat hij niet, gelijk een leeuw, mijn ziel' wegroove, terwijl er niemand is, die mij verlost en redt3).

4. O Heer, mijn God, beging ik dat4); kleeft ongerechtigheid aan mijne handen;

5. vergold ik kwaad aan die mij kwaad vergolden: dan valle ik te recht door mijne vijanden ontredderd;

6. mijn vnand make jacht op mijne ziel, en hij achterhale en vertrappe op den grond mijn leven, en hij doe mijne eer ternederzinken in het stof5).

7. Sta op, o Heer, in uwe gram-

ik iemand verongelijkte of maar kwaad met kwaad vergold, dan mogen mijne vijanden mij zoo tot val brengen, dat ik ontredderd, d. i. dat mijn weerstand krachteloos of wel dat de hoop op hetgeen Gn mn beloofd hebt, verndeld wordt *) Het anima, vita en gloria der Vulgaat zijn hebraïsmen en staan hier en elders voor het persoonlijk voornaamwoord; dus hier voor mij. De ziel, het levensbeginsel, wordt gloria, eer, genoemd, omdat zij 'smenschen eer is wegens hare gelijkenis met God. De eer kan ook in letterlijken zin worden opgevat. In plaats van in terra heeft de Septuagint: in terram; de zin is dan: hij werpe nuj op den grond en vertrappe mij.

Sluiten