Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Usquequo exaltabitur inimicus meus super me?

4. Respice, et exaudi me Domine Deus meus.

Illumina oculos meos neunquam obdormiam in morte:

5. Ne quando dicat inimicus meus: Praevalui adversus eum.

Qui tribulant me, exsultabunt si motus fuero:

6. Ego autem in misericordia tua speravi.

Exsultabit cor meum in salutari tuo: cantabo Domino qui bona tribuit mihi: et psallam nomini Domini altissimi.

3. Hoelang nog zal mijn vijand zich verhenen boven mij?

4. Zie neder en verhoor mij, Heer, mijn God!

Verlicht mijne oogen, dat ik nimmer inslape ten doode4),

5. opdat mijn vijand nimmer zegge: Ik heb hem overweldigd.

Die mij verdrukken, zullen juichen, als ik wankel.

6. Maar ik, ik heb op uw barmhartigheid mijn hoop gesteld.

Mijn hart zal juichen in uw heil; ik zal een loflied zingen tot den Heer, die mij weldaden schonk, en prijzen op het psalter den naam des Heeren, des Allerhoogsten6).

PSALMUS XIII. PSALM XIII.

Boosheid en straf der goddeloozen.

De bijzondere aanleiding tot dezen Psalm laat zich niet met zekerheid bepalen. De dwazen, van welke daarin sprake is, waren of wel Saül en zijn trawanten, of Absalom en zijne handlangers, ofwel de naburige heidcnsche volkeren, of dezen en met hen de goddeloozen onder de Israëlieten. — Klacht over de goddeloosheid der menschen (v. 1—3). Hardnekkigheid der boozen; hoop der vromen (v. 4—6). Bede om redding voor Israël (v. 7).

1. In finem, Psalmus David.

Dixit insipiens in cor de suo: Non est Deus. Infra LU 1.

gevaren te ontsnappen, die zich dagelijks hernieuwen?

*)' Zorg en angst hebben zijn lichaamskrachten gesloopt: zijn oog is beneveld als dat van eenen stervende; daarom vraagt hij hernieuwing van levenskracht, die hem geworden zal op het gezicht van Gods gunst.

6) Het slot: en op het psalter ent. ontbreekt in den grondtekst; mogelijk is het een liturgisch bijvoegsel van latere dagteekening.

— Verscheidene HH. Vaders, o. a. Chrysostomus, Augustinus en Athanasius, Eusebius, Theodoretus, vinden in dezen Psalm de klacht eener ziel, die zich haast van God vergeten waant. Daar God echter, zooals de H. Chrysostomus zegt, zich soms van ons af-

1. Tot het einde1). Een Psalm van David*).

De dwaas8) zegt in zijn hart: Er is geen God.

wendt om ons beter tot zich te trekken, verwacht zij met betrouwen zijne genade, die de oogen der ziel verlicht en het hart doet juichen van vreugde. Zoodra de mensch, door de genade verlicht, zijne onmacht en nietigheid heeft ingezien, is de tijd van kommer en ijdele ontwerpen voorbij, doordien hij aangespoord wordt om zijnen steun te zoeken bij God, met wiens hulp hij alles vermag.

») Zie Ps. IV noot 1.

') Enkelen schrijven dezen Psalm toe aan Isaias of Jeremias. Behoudens eenige afwijkingen in het opschrift en in v. 3 en 6, wordt hij herhaald in Psalm LH.'L ''

") Het hart gold bij de Joden als

Sluiten