Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Corrupti sunt, et abominabiles facti sant in studiis suis: non est qui f aciat bonum, non est usque ad unum.

2. Dominus de ccelo prospexit super filios hominum, ut videat si est intelligens, aut requirens Deum.

3. Omnes declinaverunt, simul inutiles facti sunt: non est qui faciat bonum, non est usque ad unum. Rom. III12, 13.

Sepulcrum patens est guttur eorum: linguis suis dolose agebant, venenum aspidum sub labiis eorum.

Quorum os maledictione et amaritudine plenum est: veloces pedes eorum ad effundendum sanguinem.

Contritio et infelicitas in viis eorum, et viam pacis non cognoverunt: non est timor Dei ante oculos eorum.

4. Nonne cognoscent omnes qui operantur iniquitatem, qui devorant plebem meam sicut escam panis?

de zetel van bet verstand. Practische godloochening leidt tot theoretische, ten minste in woorden. Dwaasheid en onzin! De Psalmist wil zeggen: de goddeloozen, zich straffeloos ziende, maken zich in hunne dwaasheid diets, dat er geen God is en komen zoo van kwaad tot erger.

*) Niemand uit die goddelooze en dwaze menigte. VgL v. 6. Sommigen verstaan dit van de verdorvenheid des menschdoms als gevolg der erfzonde; zoo klein was ten tijde van den psalmist het getal der vromen, dat dezen bijna niet in aanmerking komen.

*) Hebr.: «Jehova». In Psalm LH is deze godsnaam telkens vervangen door «Elohim»; men vreesde waarschijnlijk den eigenlijken godsnaam uit te spreken. Laat God zijn oog op de bedorven wereld vallen, dan ziet Hij niemand, die vroom en wijs genoeg is om zijne oordeelen te duchten.

*) Allen zijn afgeweken van den waren weg en den dienst van God; zij zijn onnut, d. i. ondeugend, nietswaardig geworden.

Verdorven zijn zij en afschuwelijk geworden in hun streven; niemand is er die het goede doet, zelfs niet een enkele4).

2. De Heer*) blikt uit den hemel neder op de menschenzonen, om uit te zien of iemand verstandig is of naar God vraagt.

3. Allen zijn afgeweken8); altegader zijn ze onnut geworden; niemand is er die het goede doet; zelfs niet een enkele1).

Een open graf is hunne keel; zij gaan arglistiglijk te werk met hunne tongen; addergif is onder hunne lippen.

Hun mond is vol van lastertaal en schamperheid; tot bloedvergieten zijn hun voeten snel8).

Vergruizing en rampzaligheid zijn op hun wegen, en het pad des vredes is hun onbekend; er is geen vreeze Gods voor hunne oogen.

4. Zuilen zij niet altegader verstandig worden, die ongerechtigheid begaan, die mijn volk verslinden als een bete broods9)?

•) Hetgeen volgt in v. 3 ontbreekt in den grondtekst; het werd door den H. Paulus Rom. III 13 bij het voorafgaande gevoegd en was door hem aan verschillende plaatsen van het O. T. ontleend (vgl. Ps.Vll en 1X28). Waarschijnlijk gaf dit later aanleiding om het ook hier in te lasschen. Een open graf enz., zie Ps. V 11. Het addergif doelt op de valschheid en moorddadigheid hunner schampere en lasterlijke taal.

') In hunne boosaardigheid zijn zij daartoe steeds bereid en spoedig gereed; geen wonder dat hunne wegen, d. i. al hun doen en laten, op vergruizing, d. i. ondergang, en rampzaligheid voor anderen uitloopt; want het pad des vredes, d. i. het verlangen en de manier om anderen goed te doen, is hun onbekend.

*) Gods volk zijn hier de vromen en verdrukten. De zin is: zullen Gods straffen hen niet doen begrijpen, dat er een Opperrechter is? De meesten vatten deze woorden op als eene vraag, niet van den Psalmist, maar van God

Sluiten