Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS XIV. PSALM XIV.

Eigenschappen van den waren dienaar Gods.

Meestal brengt men dezen Psalm in verband met Psalm XXIII, en neemt aan, dat David hem gezongen heeft bij gelegenheid der overbrenging van de Ark des Verbonds naar Sion (Vgl. II Reg. VI 12). Hij leert hier, dat om Gods bescherming te genieten, de bloot uiterlijke eeredienst niet genoeg is, maar dat wezenlijke en degelijke vroomheid gevorderd wordt.

1. Psalmus David.

Domine quis habitabit in tabernaculo tuo? aut quis requiescet in monte sancto tuo?

2. Qui ingreditur sine macula, et operatur justitiam:

3. Qui loquitur veritatem in cor de suo, qui non egit dolum in lingua sua:

Nee fecit proximo suo malum, et opprobrium non accepit adversus proximos suos.

4. Ad nibjlnm deductus est in conspectu ejus malignus: timentes autem Dominum glorificat:

Qui jurat proximo suo, et non decipit,

5. Qui pecuniam suam non dedit ad usuram, et munera super innocentem non accepit:

Qui facit haec, non movebitur in aeternum.

1. Een Psalm van David.

Heer, wie zal wonen in uw tent, of wie zal rusten op uwen heiligen berg1) ?

2. Die wandelt zonder smet en doet wat recht ia;

3. die waarheid in zijn hart spreekt; die geen bedrog pleegt met zijn tong*);

die zijnen evenmensch geen nadeel doet, en geene smaadheid opgrijpt tegen zijne naasten*);

4. in wiens oog de goddelooze voor een niets geacht wordt4), maar die verheerlijkt wie den Heer vreezen;

die zijnen naaste toezweert en hem niet bedriegt*);

5. die zijn geld niet geeft op woeker*), en geen geschenken aanneemt tegen den onschuldige.

Wie dat doet, zal niet wankelen in eeuwigheid1).

*) De tent Gods is elders de tempel, hier de tabernakel, destijds geplaatst op Sion, den heiligen berg; daar wonen (vgl. Ps. V 6) is in Gods nabijheid vertoeven en zijne bescherming genieten; daar rusten is vertrouweiijken omgang hebben met God; dat immers geeft rust aan het menschelijk hart.

*) Die niet anders spreekt, dan hij het in gemoede meent. Hebr.: «die niet lastert».

*) Naar de Septuagint «aanneemt»; naar het Hebr.: «opheft, ontvangt, uitspreekt»; de sin is dus: die geene smaadtaal gretig aanhoort, noch gebruikt.

4) Die de schijnbare grootheid des kwaadgezinden voor niets telt, terwijl hij de deugdzamen hoogschat en eert.

*) Naar den grondtekst: «die tot zijn nadeel zweert en het niet verandert»; de zin is dus: die zijnen eed houdt, al heeft hij er nadeel bij.

*) Door woeker wordt hier rente bedoeld. Het was verboden, geld op rente te leenen aan eenen Hebreër, niet aan eenen vreemdeling. Vgl. Deut. XXIII 19, 20.

') Zoo iemand staat op den vasten voet der gemeenschap met God, die hem moed inboezemt, beschermt en zegent.

— De HH. Basilius, Hiëronymus, alsook Eusebius en anderen vatten dezen Psalm in hoogeren zin op als een opsomming der eigenschappen van den gerechtige, die geroepen is om eens bij God te wonen in den eeuwigen I tabernakel.

Sluiten