Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS XV. PSALM XV.

Gebed van den Heiland vóór zijn lijden.

Blijken» Act. II 25 en XIII 35, lijn v. 8—11 van dezen Psalm door David gezongen met betrekking tot den Heiland. Naar de meeste schriftverklaarders doelt de geheele Psalm op den Messias in den letterlijken sin en bevat hij een gebed van Christus onmiddellijk vóór of bij het begin van zijn lijden. (Vgl. Joan. XVII-, Luc. XXII 42). — Christus voorziet zijn lijden en dood, en vraagt het eeuwig leven voor zijne menschelijke natuur (v. 1—2); talrijk en groot zijn de genaden door Hem voor de zijnen verworven; dat geen Hem moed en vertrouwen (v. 3—4); heerlijk is zijn aandeel aan het eeuwig leven (v. 5—7h verrijzen zal zijn vleesch en met zijne ziel de eeuwige vreugde ' genieten aan de rechterhand zijns Vaders (v. 8 10).

1. Tituli inscriptio ipsi David.

Conserva me Domine, quoniam speravi in te.

2. Dixi Domino: Deus meus es tu, quoniam bonorum meorum non eges.

3. Sanctis, qui sunt in terra ejus, mirificavit omnes voluntates meas in eis.

4. Multiplicatae sunt infirmitates eorum: postea acceleraverunt.

*) De grondtekst heeft hier «Miktham», d. i. volgens sommigen «een gouden kleinood» of waarschijnlijker: «gezang, als opschrift te plaatsen op een zuil of gedenkteeken». Deze titel zinspeelt op den geheimnisvollen inhoud van den Psalm, die waardig gekeurd wordt om als een in steen uitgebeiteld gedenkschrift, ter geheugenis der groote zege van den Zaligmaker, voor de toekomst bewaard te blijven.

-) Niet wéinigen verstaan, vooral met het oog op den grondtekst, dezen Psalm in den letterlijken zin van David. Mogelijk is het, dat deze zelf naar redding uitzag, toen hij in profetische verheffing dit gebed zong, zooals het eens zou opwellen uit het gemoed van zijnen grooten nazaat, Christus.

') Vgl. de bede van Christus Luc. XXII 42: «Vader, neem dezen kelk van Mij». De Messias vraagt hier niet zoozeer redding van den dood, als behoud in den dood (vgl. v. 10), al. de verrijzenis en de eeuwige heerlijkheid aan 's Vaders rechterhand.

1. Gedenksteen-opschrift1): van David2).

Behoud mij, Heer, want Ik stel mijne hoop op Us).

2. Ik zeg den Heer: mijn God zijt Gij; want mijne goederen hebt Gij niet noodig4).

3. Voor de heiligen, die zijn land bewonen, heeft Hij alles wonderbaar vervuld wat Ik in hen verlangde5).

4. Vermenigvuldigd hebben zich hun krankheden; daarna zijn zij aangesneld6).

4) Het Hebr. vertaalt men: «want mijn goed is niet buiten U», d. i. want Gij zijt mijn hoogste, mijn eenigst goed. Naar de Vulgaat is de eerste grond, waarop de hoop van den Messias steunt (v. 1), dat Hij zijnen Vader erkent als den Oneindige, tot wiens zaligheid en innerlijke glorie geen schepsel, zelfs niet de goederen van den Messias, d. i. zijne verdiensten en de door Hem als eigendom verworven Kerk, een vereischte zijn.

*) Tweede grond van 's Heilands hoop: Gods goedheid. Ten bate der heiligen, d. i. der uitverkorenen, heeft God in zijn heilig land, hier het zinnebeeld der Kerk, alle verlangens van den Messias vervuld: zijn Vader schonk Hem die uitverkorenen en heiligde se door wonderen zijner genade. (Joan. XVII 9 volg.) Het Hebr. kan beteekenen: tot de vromen, die op aarde zijn, (zeg ik:) dit zijn edelen, aan wie af mijne lust is.

") Hier wordt waarschijnlijk de wijsheid en barmhartigheid aangeduid,

Sluiten