Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Auribus percipe orationem meam, non in labiis dolosis.

2. De vulto tuo judicium meum prodeat: oculi tui videant aequitates.

3. Probasti cor meum, et visitasti nocte: igne me examinasti, et non est inventa in me iniquitas.

4. Ut non loquatur os meum opera hominum: propter verba labiorum tuorum ego custodivi vias duras.

5. Perfice gressus meos in semitis tuis: ut non moveantur vestigia mea.

6. Ego clamavi, quoniam exaudisti me Deus: inclina aurem tuam mihi, et exaudi verba mea.

7. Mirifica misericordias tuas, qui salvos facis sperantes in te.

8. A resistentibus dexterae tuae custodi me, ut pupillam oculi.

Sub umbra alarum tuarum protégé me:

*) David's gerechtigheid is hier, zooals het parallelisme zulks aanduidt, het gebed, dat hij in vertrouwen op zijne goede zaak tot God gaat richten; hij doet dit in alle oprechtheid, zonder arglist; want van den arglistige gruwt de Heer. Ps. V 7. . ■ ',

*) Mogen zij mijne onschuld zien! Zoolang de booze zijn lust kan botvieren, schijnt God geene oogen te hebben voor het recht. De zin van v. 1—2 is dus: Heer, verhoor mijn oprecht gebed; Gij ziet alles: laat dus uwe alwetendheid het vonnis strijken, en dit zal rechtvaardig zijn; immers (v. 3) Gij kent mijn hart.

*) Gq zaagt, welke gedachten en plannen des nachts, ten tijde der stille overpeinzing (vgl. Ps. IV 5 en XV 7), in mijn hart opkwamen. Of wel: des nachts d. i. ongestoord, grondig hebt Gij myn hart onderzocht. De Septuagint heeft: «door het vuur hebt Gij mij gelouterd». Sommigen verbinden dit met (v. 4) opdat enz.

*) Om niet te spreken en te hande-

leen het oor aan mijn gebed van lippen zonder arglist1).

2. Van uw aanschijn ga mijn oordeel uit; dat uwe oogen zien wat recht is2)!

3. Getoetst hebt Gij mijn hart en onderzocht des nachts8); door het vuur hebt Gij mij beproefd, en geene ongerechtigheid is er in mij gevonden.

4. Opdat mijn mond geen werken der menschen sprak, hield ik ter wille van de woorden uwer lippen ruwe wegen4).

5. Bevestig mijne schreden op uwe paden, opdat nijne voetstappen niet wankelen6).

6. Ik riep, want Gij verhoordet mij, o God! Neig tot mij uw oor en luister naar mijn woorden.

7. Maak wonderbaar uwe barmhartigheden, Gij, die redding schenkt aan die op U vertrouwen*).

8. Voor wie aan uwe rechterhand weerstaan behoed mij als een oogappel.

Onder de schaduw uwer vleugelen beschut mij7)

len gelijk zondige menschen; of: om geen zondige werken goed te keuren", heb ik, ter vervulling uwer geboden, het moeielijke pad der deugd en der zelfverloochening, den ruwen weg der ballingschap bewandeld.

*) Geef mij nu uwe genade, opdat ik getrouw uwe geboden bnjve vervullen. Naar den grondtekst luidt de zin van v. 4—5 waarschijnlnk: Gij hebt mij onderzocht en G§ vondt niets. Het (booze) zal niet mijnen mond overschrijden. Bij de handelingen der menschen (richtte ik mij) naar het woord uwer lippen; de paden des overtreders (den weg des kwaads) heb ik vermeden.

s) Uwe barmhartigheid, mij zoo dikwijls in het verleden betoond, deed mij (v. 1) tot U roepen. Geef mij nu schitterende bewijzen van die barmhartigheid. Hebr.: «Gij, die degenen, welke op U vertrouwen, bewaart tegen (v. 8) hen, die weerstand bieden aan uwe rechterhand», d. i. die zich verzetten tegen uwen wil.

') De Psalmist koppelt hier twee

Sluiten