Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

• 18. Eripuit me de inimicis meis fortissimis, et ab bis qui oderunt me: quoniam conf ortati sunt super me.

19. Praevenerunt me in die afflictionis mea?: et factus est Dominus protector meus.

20. Et eduxit me in latitudinem: salvum me f ecit, quoniam voluit me.

21. Et retribuet mihi Dominus secundum justitiam meam, et secundum puritatem manuum mearum retribuet mihi :

22. Quia custodivi vias Domini, nee impie gessi a Deo meo.

23. Quoniam omnia judicia ejus in conspectu meo: et justitias ejus non repuli a me.

24. Et ero immaculatus cum eo: et observabo me ab iniquitate mea.

25. Et retribuet mihi Dominus secundum justitiam meam: et secundum puritatem manuum mearum in conspectu oculorum ejus.

26. Cum «ancto sanctus eris, et cum viro innocente innocens eris:

") Hij verschafte mij vrijheid en behoud. Zie Ps. IV 2.

,s) Hij beloonde en hielp mij, omdat ik onschuldig was aan alles, waarvan mijne vijanden mij betichtten. De Psalmist wil zich hier evenmin als elders van alle zonden vrijpleiten; hij betuigt slechts, dat hij alle onrecht en boosheid verafschuwt, dat hij (v. 28) Gods gerichten, d. i. zijne rechtsbepalingen en voorschriften, voor oogen houdt en zich op het onderhouden van Gods geboden toelegt. Dit sluit echter niet uit, dat luj in andere Psalmen vergiffenis voor al zijne zonden afsmeekt.

") Ik vertoefde zonder smet in zijne nabijheid en droeg zorg, dat de mij ten gevolge der erfzonde aangeboren geneigdheid tot zonde en zinnelijkheid mij geene ongerechtigheid tot de mijne deed maken:

*°) Wat David in dit vers van zijn

18. Hij ontrukte mij aan mijne grootmachtige vijanden en aan hen, die mij haten, omdat zij de overhand kregen op mij.

19. Zij overrompelden mij op den dag mijner kwelling; de Heer echter werd mijn beschermer.

20. En Hij leidde mij uit in de ruimte17); Hij beveiligde mij, dewijl Hjj mij liefhad.

21. En vergelding schonk mij de Heer naar mijne gerechtigheid, en naar de reinheid mijner handen loonde H^j mij18).

22. Want ik hield de wegen des Heeren, en ik beging geene snoodheid verre van mijnen God.

23. Want al zijne gerichten hield ik voor mijne oogen, en zijne beve len stiet ik geenszins van mij af.

24. En ik was vlekkeloos bq Hem en ik nam mij in acht voor mijne ongerechtigheid19).

25. En' vergelding schonk mij de Heer naar mijne gerechtigheid, naar mijner handen reinheid, die voor den aanblik zijner oogen is20).

26. Met den heilige zijt Gij heilig*1), en met den onschuldigen mensch zijt Gij onschuldig22);

persoonlijk wedervaren verhaalt, stelt hij in v. 26 en 27 voor als Gods onveranderlijke gedragslijn ten opzichte van goeden en boozen. God is voor den mensch wat deze voor Hem wil zijn; Hij maakt den heilige door zijne genade nog heiliger, en laat toe, dat de verkeerde, die zijne genade misbruikt of verstoot, door eigen schuld in zijne boosaardigheid volhardt.

s') Heilig is hij, die overeenkomstig de goddelijke wet handelt, d. i. de zonde vermijdt, de begane zonden, door berouw en liefde tracht uit te wisschen en met volharding streeft naar een steeds volmaakteren levenswandel en eene innigere vereeniging met God; zoo iemand wordt ook door God behandeld overeenkomstig zijne heilige natuur en wet.

") Naar de Septuagint «zijt Gij onschadelijk», d. i. Gij doet hem geen kwaad.

Sluiten