Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Delicta quis intelligit? ab occultis meis munda me:

14. Et ab alienis paree servo tuo.

Si mei non fuerint dominati, tune mmaculatus ero: et emundabor a delicto maximo.

15. Et erunt ut complaceant eloquia oris mei: et meditatio cor dis mei in conspectu tuo semper.

Domine adjutor meus, et redemptor meus.

13. De zonden, wie bevroedt ze? van mijne verborgene reinig mij,

14. en voor vreemden bewaar uwen dienstknecht15).

Als dezen mij niet overheerschen, dan zal ik vlekkeloos zijn en gelouterd van overzwaar misdrijf.

15. En welbehaaglijk zullen de woorden van mijnen mond en de overpeinzing mijns harten zijn voor uw aangezicht te allen tijde,

o Heer, mijn helper en mijn verlosser !

PSALMUS XIX. PSALM XIX.

Smeekgebed van het volk voor den Koning.

Deze Psalm was, blijkens den inhoud, bestemd om bij het offeren door of namens het volk te worden gezongen, hetzij éénmaal, bij gelegenheid van een bepaalden krijgstocht, hetzij herhaaldelijk bij dergelijke gelegenheden. Hij drukt dus de gevoelens uit, die alsdan het hart van David's onderdanen vervulden. — Gebed van het volk om God» zegen voor den Koning, die ten strijde trekt (v. 2—7a). In zijn vertrouwen spreekt het volk met gegronde reden als ware zijn wensch reeds vervuld en herhaalt zijn gebed (v. 7b—10).

1. Lu finem, Psalmus David.

2. Exaudiat te Dominus in die tri-

1. Tot het einde1). Een Psalm van David*).

2. Verhoore de Heer u ten dage

uw knecht wordt er door verlicht» d. i. onderricht, gewaarschuwd. Daarom gaat de Psalmist zich nu in haar licht beschouwen; hij is zich wel van geen schuld bewust, maar, zegt hij (v. 13), wie bemerkt élke fout? Men begaat er ook uit onachtzaamheid. Daarom vraagt hij vergiffenis van die verborgen overtredingen, nl. waarvan hij zich niet bewust is.

") Bewaar mij voor den slechten invloed dergenen, die zich van U vervreemd hebben; voor vreemde afgodendienaars of overtreders der Wet, die mij tot het bewust overtreden daarvan zouden kunnen medesleepen. Het alienis der Vulgaat is mannelijk, zooals dominati zulks aanduidt, en kan das niet van vreemde zonden verstaan worden. De grondtekst heeft: «van de trotschaards», d. i. de hoogmoedige

verkrachters der Wet. De H. Augustinus en anderen lezen dominata, d. i. peccata aliena, hier de opzettelijke zonden, in tegenstelling van oceulta, de onwillekeurige overtredingen.

— Eenige schriftverklaarders meenen, dat de Apostel Rom. X 18 de woorden van v. 4 niet als bloot toepasselijk, maar in typischen zin gebruikt. De zon beteekent dan de menschelijke natuur van Christus; in Hem was het Woord als in eene tent verborgen. De hemellichamen verbeelden dan de apostelen; het uitspansel de Kerk; de opvolging van dag en nacht hare apostoliciteit en duurzaamheid. De Wet (v. 8) is dan in typischen zin die der genade. (Matth. XI 25; S. Thom. in Rom. X 18.)

|) Zie Ps. IV noot 1.

*) Sommigen trekken de juistheid

Sluiten