Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Exaltare Domino in virtute tua: cantabimus et psallemus virtutes tuas.

14. Verhef U, Heer, in uwe kracht14)! Bezingen zullen wij en prijzen op het psalter uwe machtsbetooningen.

overblijfselen, wat men gespaard heeft, kan ook «nakroost» beteekenen (vgl. Psalm XXXVI 37, 38); «praeparare» kan beteekenen: angst aanjagen (vgl. Psalm XXVIII9), maar ook: bereiden, bevestigen, doen voortduren, of (evenals «obfirmare vultum», vgl. Psalm LXXXVIII 5 en Prov. XXI 29), onbezorgd maken, moed of vértrouwen inboezemen. De grondtekst heeft hier: «Gij zult hen den rug doen keeren; (immers) met uwe pezen (d. i. uwe bogen) zult gij (uwe pijlen) richten op hun aangezicht». De Septuagint (Sixtijnsche uitgaaf) luidt integendeel: «Gij zult hen op de vlucht slaan door uwe nakomelingen; gij zult hun gelaat bereiden». De zm der Vulgaat kan dus zijn met het oog op de naaste toekomst: door uwe overblijfselen, d. i. door de pijlen, die gij nog over hebt (of: door uw nakroost) zult gij hun gelaat bereiden, d. i. bleek van angst maken of zich van u af doen wenden om te vluchten. Of wel: die gij overlaat, d. i. niet doodt, zult gij op de vlucht drijven; of integendeel: aan hen die gij spaart, zult gij ontzag of vertrouwen inboezemen. Mogelijk is het echter ook, dat hier een feit uit de meer verwijderde toekomst voorspeld wordt; de zin is dan in verband met v. 5: Gij zult uwe vijanden verslaan en daardoor een onbezorgd gelaat bereiden, d. i. ver¬

trouwen en moed verschaffen aan uwe nakomelingen, aan welke gij (vgl. v. 5, 11, 12) den troon verzekert. Of wel in hoogeren zin: nu drijft gij hen op de vlucht; maar in uw nakroost telt gij iemand, tot wien zij met eerbied en vertrouwen hun gelaat zullen wenden.

") Dat alles zal David vermogen door Gods hulp; daarom dit slotgebed: openbaar, o God, uwe kracht tot uwe eer!

— Voor hen, die meenen, dat de geheele Psalm van den Messias handelt, is de beteekenis deze: v. 2: O God, Gij maakt Christus, onzen Koning, tot overwinnaar; v. 3: Gij hebt zijn gebed verhoord (vgl. Joan. XI 42); v. 4: Gij vervuldet Hem met genade en steldet Hem aan als priester-koning; v. 5: Hij bad U om het leven (Hebr. V 7) en Gij schonkt Hem met de verrijzenis (v. 6) roem en luister; v. 7: Hij is voor ons en voor allen een zegen; Hij deelt uwe vreugde; v. 8: dat vroeg Hij en heeft Hij voor eeuwig, v. 9: Mogen dan, o Christus, uwe vijanden vermeld en (v. 10) in de hel gestraft, (v. 11) moge hun zaad uitgeroeid worden; want (v. 12) zij hebben het op U en uwe Kerk gemunt; maar tevergeefs; want (v. 13) Gij zult ze verdrijven. Daarom, (v. 14) o God, verheerlijk

iv

Sluiten