Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. Vultus autem Domini super facientes mala: ut perdat de terra memoriam eorum.

18. Clamaverunt justi, et Dominus exaudi vit eos: et ex omnibus tribulationibus eorum liberavit eos.

19. Juxta est Dominus iis, qui tribulato sunt corde: et humiles spiritu salvabit.

20. Muit» tribulationes justorum: et de omnibus nis liberabit eos Dominus.

21. Custodit Dominus omnia ossa eorum: unum ex bis non conteretur.

22. Mors peccatorum pessima: et qui oderunt justum delinquent.

23. Redimet Dominus animas servorum suorum: et non delinquent omnes qui sperant in eo.

17. maar het aangezicht des Heeren is tegen hen, die kwaad doen, om hunne nagedachtenis van de aarde te verdelgen.

18. De gerechtigen roepen en de Heer verhoort hen, en uit al hun nooden redt Hij hen.

19. Nabij is de Heer aan die bedrukt van harte zijn, en de terneergeslagenen van geest zal Hij verlossen13).

20. Talrijk zijn de nooden der gerechtigen, en uit alle deze zal de Heer hen redden.

21. De Heer behoedt al hunne beenderen; niet één daarvan zal gebroken worden14).

22. De dood der goddeloozen is rampzalig; en die den gerechtige haten, zondigen15).

23. Redden zal de Heer de zielen zijner knechten, en niet zondigen zullen allen, die op Hem vertrouwen16).

nen; Hij ziet ook (v. 17) op de boozen, maar om hen te straffen.

") Hij verschaft uitkomst en heil aan degenen, die de verdrukking, welke zij lijden, met een ootmoedig hart aannemen en Hem met vertrouwen aanroepen.

") Het gedeelte, de beenderen, staat hier voor het geheel. De zin is: Gods voorzienigheid zal zorgen, dat hun lijden naar het lichaam niet te ver gaat en dat zij geene schade lijden naar de ziel.

") Hebr.: «de boosheid zal de goddeloozen dooden». De vervolgers der gerechtigen laden eene zware schuld op zich, die door eenen rampzaligen dood zal gestraft worden.

") God zal hen sparen naar lichaam en ziel en hen door zijne genade helpen om in de deugd te volharden. Daar j

dit laatste vers in den grondtekst buiten de alphabetische volgorde valt, meenen velen, dat het eerst later bij den Psalm gevoegd is.

— Wat David in dezen Psalm van zich zeiven zegt, leggen de HH. Vaders in geestelijken zin in den mond van alle gerechtigen. Dezen, zegt Bellarminus, wekken de zondaars op om door hunne bekeering tot God te naderen (v. 6) en zich door Hem te laten verlichten. De engel Gods, die hen beschermt, is, volgens de HH. Augustinus en Hiëronymus, Jesus Christus; zijn vleesch en bloed is de spijs (v. 9), die Hij hun in zijne goedertierenheid te smaken geeft. Wie den Heer vreest, zal (v. 13) het eeuwige loon ontvangen en de Heer zal (v. 21) zijn gebeente bewaren ten j eeuwigen leven (H. Basilius).

Sluiten