Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Dissipati sunt, nee compuncti, tentaverunt me, subsannaverunt me subsannatione: frenduerunt super me dentibus suis.

17. Domine quando respicies ? restitue animam meam a malignitate eorum, a leonibus unicam meam.

18. Confitebor tibi in ecclesia magna, in populo gravi laudabo te.

19. Non supergaudeant mihi qui adversantur mihi inique: qui oderunt me gratis et annuunt oculis. Joann. XV 26.

20. Quoniam mihi quidem pacifice loquebantur: et in iracundia terras loquentes, dolos cogitabant.

21. Et dilataverunt super me os suum: dixerunt: Euge, euge, viderunt oculi nostri.

16. Uiteengedreven werden zij, maar kwamen niet tot inkeer; zij beproefden mij; zij hoonden mij met hoon; zij knarsten tegen mij op hunne tanden17).

17. Heer, wanneer zult Gij nederzien18) ? Verlos weer mijne ziel van hunne boosheid, van de leeuwen mijne eenige!

18. • Loven zal ik U in een groote vergadering; onder een aanzienlijk volk zal ik U prijzen19).

19. Laat hen zien niet verblijden óver" mij20), die mij wederrechtelijk vijandig zijn, die mij haten zonder reden en pinkoogen21).

20. Want tot mij spreken zij wel vredelievend; maar in aardsche grammoedigheid sprekend verzinnen zij arglistigheden22).

21. En wijd sperren zij tegen mij hunnen mond op23); zij zeggen: Ha, ha! Onze oogen zien het24)!

hij beschuldigd werd, was hem onbekend, en dat maakte het gevaar des te grooter. De zin kan echter ook zijn: en ik was mij van geen misdaad bewust.

") De Vulgaat is hier duister; misschien is de zin: reeds eenmaal werden zij uiteengedreven, d. i. werd hun toeleg door God verijdeld; toch volhardden zij in hun boos opzet en vielen mij des te^ heviger aan met woord en daad. Misschien ook: verdeeld waren zij, d. i. zij stemden niet overeen in hunne aanklachten en oordeelen, maar dat belette hen niet, in hun boos opzet te volharden (Vgl. Mare. XIV 56). Of wel: zij verspreidden zich, doch zwegen niet, d. i. hetzij verzameld, hetzij verspreid beproefden (d. i. kwelden of tergden) en hoonden zij mij. Sommigen vertalen naar de Septuagint: zij verscheurden hunne kleederen, maar waren niet bedroefd. Het Hebr. luidt ongeveer: «zij spanden samen tegen mij, lasterend (nietswaardigen), van die ik niets wist; zq verscheurden (d. i. lasterden mij) en zwegen niet. Onder (als) goddelooze tafelschuimers knarsten zij tegen mij met hunne tanden».

") Hebr.: «hoelang nog zult Gij toe¬

zien»? d. i. zonder tusschenbeide te komen om mijne eenige, d. i, mijne ziel, of mij van mijne vijanden, wreed als bloeddorstige leeuwen, te verlossen.

'9) Openlijk zal ik U mijnen dank betuigen voor de hulp, die ik met zekerheid verwacht. Aanzienlijk volk beteekent hier hetzelfde als groote vergadering, wellicht mét het bijbegrip van «uitmuntend», dewijl het uitverkoren volk bedoeld wordt.

*°) Ten derde male klaagt de Psalmist nu zijnen nood, bidt hij om hulp en belooft hij dankbaarheid.

n) Om elkander hunne verstandhouding of hunne vreugde over mijn ongeluk te kennen te geven.

") Ook hier is de Vulgaat duister. Mogelijk is de zin: Gramstorig in hun hart, gelijk aardschgezinde, booze menschen zulks zijn, gaan zij arglistig te werk. Of wel: Zij spreken met verbittering tot het volk (of tot onheil van het land) en ruien het arglistig tegen mij op. Hebr.: «Want geen vrede spreken zij, en tegen de stillen in den lande zinnen zij op woorden van bedrog». ") Om te juichen over mijn ongeluk. **) Onze oogen zien zijn ongeluk, waarop wij hoopten.

Sluiten