Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS XXXVI.

PSALM XXXVI.

De vrome alleen verbeide een duurzaam geluk.

In dezen leerpsalm, die, naar hei schijnt, van David's verder gevorderden leeftijd dag teekent (vgl. v. 25), geeft hij eene reeks van zedenspreuken, waarvan er enkele herhaald worden om den vrome krachtdadig aan te sporen tot geduld, daar ook hier op aarde het kwaad weldra zijne straf, het goed zijne vergelding zal vinden.

1. Een Psalm van David1). Wees niet naijverig op boosdoeners, en benijd hen niet, die ongerechtigheid begaan*).

2. Want als gras zullen zij weldra verdorren, en als moeskruiden zullen zij spoedig verwelken.

3. Stel vertrouwen op den Heer en doe het goede, en bewonen zult gij het land, en voeden zult gij u met zijnen rijkdom*).

4. Verlustig u in den Heer*), en schenken zal Hij u de wenschen uws harten.

5. Openbaar den Heer uwen weg en stel vertrouwen in Hem, en Hij, Hij zal handelen5).

1. Jrsaimus ïpsi David.

Noli aemulari in malignantibus: neque zelaveris facientes iniquitatem.

2. Quoniam tamquam foenum vclociter arescent: et quemadmodum olera herbarum cito decident.

3. Spera in Domino, et fac bonitatem: et inhabita terram, et pasceris in divitiis ejus.

4. Delectare in Domino: et dabit tibi petitiones cordis tui.

5. Re vela Domino viam tuam, et spera in eo: et ipse faciet.

et dabit

mist aanschouwt de uitwerkselen van Gods gerechtigheid (v. 11), zoo niet werkelijk, dan toch in zijne stellige hoop.

— Verscheidene HH. Vaders leggen dezen Psalm zoo uit, dat in v. 2—5 sprake is van de verstokte Joden, en in het overige gedeelte van Christus, de bron des levens, die heil verschaft aan menschen en aan dieren, d. i. aan Joden en aan heidenen. Het huis Gods is de Kerk en meer nog de hemel. In het menschgeworden Woord, «het Licht van het Licht», het «ware Licht, dat eiken mensch verlicht» (Joan. I 9), ziet deze aldaar (geholpen door het licht der glorie, «lnmen gloria?»), het ongeschapen Licht der H. Drievuldigheid, en hij ziet dit niet in een afbeeldsel, of weerschijn, maar in Gods licht, d. i. van aanschijn tot aanschijn. In v. 10 vinden o. a. Theodoretus en de HH. Augustinus en Hiëronymus het geheim der H. Drievuldigheid uitgedrukt, nl. den Vader in bij U, den Zoon fa de bron des levens, en den H. Geest in uw licht.

*) In dezen Psalm en herhaaldelijk elders wijst de dichter op het tijdelijk loon der goede werken, die hij aanprijst. Voor den Hebreër bestond dat loon voornamelijk in het rustig en erfelijk bezit van het H. Land; daar hoopte hij te leven in de gemeenschap met zijnen God, die hem (vgl. v. 3) zou voeden met den overvloed der aarde en al zijne wenschen vervullen. (Vgl. Deut. XXVIII 1). In dit opzicht was het H, Land een voorafbeelding van het Rijk der hemelen, dat de Messias eens aan de zijnen zou schenken. Vgl. Matth. V 3 volg. In den grondtekst is deze Psalm alphabetisch.

*) Wees niet gramstorig en mor niet over den tijdelijken voorspoed der zondaars ; benijd hen niet en volg hen niet na, want (v. 2) hun geluk is van korten duur.

*) Het Hebr. kan beteekenen: «Gij zult genot hebben van de veiligheid» of «van de getrouwheid» (Gods).

*) Schep behagen fa zijnen dienst.

') Leg Hem met vertrouwen uwe aangelegenheden, uwe rechtzaak bloot,

Sluiten