Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cicatrices mea?, a facie insipientiae mets;

7. Miser factus sum, et curvatus sum usque in finem: tota die contristatus ingrediebar.

8. Quoniam lumbi mei impleti sunt illusionibus: et non est sanitas in carne mea.

9. Afflictus sum, et humiliatus sum nimis: rugiebam a gemitu cordis mei.

10. Domine, ante te omne desiderium meum: et gemitus meus a te non est absconditus.

11. Cor meum conturbatum est, dereliquit me virtus mea: et lumen oculorum meorum, et ipsum non est mecum.

12. Amici mei, et prozimi mei adversum me appropinquaverunt, et steterunt. Job. XIX 14.

Et qui juxta me erant, de longe steterunt:

13. Et vim faciebant qui quaerebant animam meam.

Et qui inquirebant mala mihi, locuti sunt vanitates: et dolos tota die meditabantur.

14. Ego autem tamquam sur dus non audiebam: et sicut mutus non aperiens os suum

wonden vanwege mijne dwaasheid0).

7. Ellendig ben ik geworden en geheel terneergebogen; den ganschen dag ga ik droefgeestig rond.

8. Want mijne lendenen zijn vol begoochelingen, en geen gezondheid is er in mijn vleesch7).

9. Bedroefd ben ik, en terneergeslagen uitermate; ik brul van het jammeren mijns harten.

10; O Heer, voor U ligt bloot al mijn verlangen, en mijn jammeren is niet voor U verborgen8).

11. Mijn hart is in ontsteltenis; begeven heeft mij mijne kracht; en het licht van mijne oogen, ook dat verzelt mij niet9).

12. Mijn vrienden en mijn nabestaanden komen mij tegemoet, en blijven staan;

en die mijn naasten zijn, ver af staan zij10).

13. En zij plegen geweld, die mij naar het leven staan;

en die onheil voor mij zoeken, spreken leugens en op listen peinzen zij den ganschen dag.

14. Maar ik, gelijk een doove, ik hoor niet, en als een stomme ben ik, die zijn mond niet opent11).

heeft. Die uit liefde voortspruitende smart brengt genezing. _ °) De wonden zijn hier de door zijn lijden (door geeselslagen vgl. v. 18) veroorzaakte smarten. De zin is: een kankerend wee, gevolg mijner dwaasheid, d. i. der zonden, die ik in mijne dwaasheid beging, kwelt mij naar lichaam en ziel.

') Mijne lendenen (naar de opvatting des dichters de zetelplaats der lichaamskracht) bedriegen mij, d. i. zijn tegen mijn verwachting krachteloos geworden. Het Hebr. kan beteekenen: «mijne lendenen zijn vol brand». De oudere Schriftverklaarders zagen in de begoochelingen der lendenen aanvechtingen tot zinnelijkheid.

*) De dichter onderbreekt hier zijne weeklacht en roept God tot getuige

van zijn gebed; dan gaat hij voort — doch thans zonder beeldspraak — met de beschrijving van zijn lijden, om God tot het verleenen van hulp te bewegen.

") De zin is waarschijnlijk: de smart heeft mij ontzenuwd en den glans en de kracht mijner oogen doen verdwijnen (Vgl. Ps. VI 8).

M) Zij zien mijnen nood en wagen niets tot mijne hulp, terwijl mijne vijanden (v. 13) al hunne krachten inspannen om mijnen ondergang te bewerken. Naar den grondtekst: «Mijne dierbaren en vrienden staan verre af van mijne plaag», d. i. zij houden zich op een afstand, als ware ik een melaatsche.

") Andere beweegreden om hem te helpen: als een doove en een stomme, d. i. met geduld, zonder morren, tegen-

Sluiten