Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Remitte mihi, ut refrigerer prius quam abeam, et ampliüs non ero.

14. Laat af van mij, opdat ik verkwikt worde, voordat ik heenga en ik niet meer zijn zal.

PSALMUS XXXIX.

PSALM XXXIX.

Dank- en smeekgebed.

God verleende onlangs hulp aan den Psalmist en redde hem uit grooten nood fv. 2—4). Die hulp is het loon der hoop; dat bewijzen de weldaden door God aan zijn volk geschonken (v. 5-6). UÜ dankbaarheid is hij bereid Gods wil en wel te vervullen en Hem openlijk te prijzen (v. 7-11). Met het oog op htt lijden en de vijanden, die hem nog bedreigen tot straf zijner zonden, roept hij tot God om spoedige hulp (v. 12—18).

1. In finem, Psalmus ipsi David.

2. Exspectans exspectavi Dominum, et intendit mihi.

3. Et exaudivit preces meas: et eduxit me de lacu miserite, et de lutc faecis.

Et statuit super petram pedes meos: et direxit gressus meos.

4. Et immisit in os meum cantieum novum, carmen Deo nostro.

althans bij U, daarop rekenen. Daarom verhoor mij! Vgl. Psalm XXVII 1.

— Op het voetspoor der HH. Vaders legt Bellarminus dezen Psalm in hoogeren zin uit als een leerdicht over het streven naar volmaaktheid. Deze is naar de HH. Augustinus en Ambrosiue het einde (v. 5), dat de dichter wenscht te kennen, opdat hij wete wat hem nog ontbreekt om tot God te komen, die (v. 8) zijne hoop, zijn schat, zijn eeuwig geluk is. Tot dat doel bewaakt hij zijne tong, berust hij in Gods wil en bidt hij om Gods hulp.

*) Zie Psalm IV noot 1.

*) Het meerendeel der katholieke schriftverklaarders verstaan dezen Psalm in den letterlijken zin van David. In typische (volgens enkelen in letterlijke) beteekenis is het een gebed van den Messias, in wien de

1. Tot het einde1). Een Psalm van David2).

2. Verbeid en verbeid had ik den Heer, en Hij gaf acht op mij»),

3- ®n. H4|; verhoorde mijne beden, en Hij trok mij uit den jammerpoel en uit het modderslijk4);

en Hij plaatste op eene rots mijne voeten en Hij leidde mijne schreden6).

4. En Hij legde in mijnen mond een nieuw gezang, een jubellied voor onzen God6).

inhoud van den Psalm zijne volledige -vervulling vond; Hebr. X 5 worden v'u ,?a m.et trekking tot Hem aangehaald. Het slot, v. 14—18, maakt eenigszins gewijzigd, Psalm LXIX uit * L Kokhalzend en standvastig wachtte ik znne hulp af en Hij neigde zjch tot mij en hielp mij. .,*). De jammerkuil en het modderhi! wT"1 1?en verzi«kt, beteekenen hier het hoogste gevaar; daartegenover staat het plaatsen der voetent op een vaste rots ter uitdrukking der verleende redding en veiligheid. veneenae *) Het leiden duidt hier naar den grondtekst een bevestigen aan: Hij

tred m>1 gaa" met V~ten' zekere" »Ji „Ee.n. buitengewone weldaad mag JÜiS* eLd,&g gJven tot buitengewone ö^aariei<i- 200 heeft °ok Wer de aanTheffen" °m een ™™ bellied

Sluiten