Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS XLI.

PSALM XLI.

Verlangen naar God.

Deze en de volgende Psalm bevatten een treffende schildering van den tweestrijd eener van Gods voelbare tegenwoordigheid verstoken ziel. Waarschijnlijk waren

dit de gevoelens van David op zijne vlucht voor Absalom Verlangen naar Gods

tegenwoordigheid; droevige gemoedsstemming (v. 2—6). Geloovige opwekking tot vertrouwen (v. 6). Uitvoerige schildering van droefenis en lijden (v. 7—11). Hernieuwde opwekking tot vertrouwen (v. 12). — (Psalm XLII) Gebed om redding en terugkeer tot het heiligdom (v. 1—4). Herhaalde opwekking tot vertrouwen (v. 5). — V. 6 en 12 en Psalm XLII 5 vormen een refrein.

1. In finem, Intellectus füiis Gore.

2. Quemadmodum desiderat cervus ad fontes aquarum: ita desiderat anima mea ad te Deus.

3. Sitivit anima mea ad Deum fortem vivum: quando vernam et apparebo ante f aciem Dei?

4. Fuerunt mihi lacryma? mea? panes die ac nocte: dum dicitur mihi quotidie: Ubi est Deus tuus?

1. Tot het einde1).

Tot onderrichting2). Van de zonen van Gore3).

2. Gelijk het hert naar waterbronnen smacht, zoo smacht mijn ziel naar U, o God4)!

•3. Mijne ziel dorst naar God, den machtigen, den levenden5). Wanneer zal ik komen en verschijnen voor het aangezicht van God6) ? 4. Mijne tranen zijn mijn brood geworden dag en nacht, terwijl men dagelijks mij zegt: Waar ia uw God')?

*) Deze Psalm vormde, naar het I schijnt, oorspronkelijk één geheel met Psalm XLII. Op die verbinding wijst j o. a. hunne vereeniging in een aantal Hebreeuwsche handschriften, het gemis van een opschrift bij Ps. XLII in den Hebreeuwschen tekst, en de herhaling van het refrein van Ps. XLI 6 en 12 in Ps. XLII 5. Wanneer en waarom zij gescheiden werden, is onbekend. Zie Psalm IV noot 1.

*) Zie Psalm XXXI noot 1.

*) Psalm, gedicht door een der afstammelingen van Gore, een levietische j zangersfamilie, die, naar II Par. XX 19, nog ten tijde van koning Josaphat als zoodanig bestond. In de opschriften worden hun elf Psalmen toegeschreven. Mogelijk is het, dat een hunner David op zijne vlucht vergezelde en dezen Psalm in David's naam en naar David's gemoedsstemming gezongen j heeft. Hieraan is het wellicht toe te schrijven, dat het opschrift van Psalm i

XLII David als den dichter daarvan opgeeft.

*) Naar de opvatting van den geloovigen Israëliet stond het wegvluchten van het heiligdom gelijk met het verlies der gemeenschap met God. Daarom gold de verbanning bij de Joden als een allerzwaarste straf. De bede van v. 2—5 is dus dezelfde als die van Psalm XLII 3.

5) Hij is niet leven- en machteloos, gelijk de afgoden; daarom smacht ik naar Hem, het volle leven, de volle kracht, de bron van alle natuurlijk en bovennatuurlijk leven en vermogen.

•) Wanneer zal ik Hem in zijn heiligdom kunnen bezoeken?

*) De tranen, welke hem zijne verwijdering van het heiligdom doet storten, zijn voor hem geworden tot een voedsel, gelijk het brood, dat hij dagelijks daarmede bevochtigt; ook in den nacht heeft zijn overstelpt gemoed daaraan behoefte, te meer daar men hem

Sluiten