Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Et sepulcra eorum domus Ulorum in seternum.

Tabernacula eorum in progenie et progenie: Tocaverunt nomina sua in terris suis.

13. Et homo, cum in honore esset, non intellexit: eomparatus est jumentis insipientibus, et similis factus est illis.

14. Haec via illorum scandalum ipsis: et postea in ore suo complacebunt.

15. Sicut oves in inferno positi sunt: mors depascet eos.

Et dominabuntur eorum justi in matutino: et auxilium eorum veterascet in inferno a gloria eorum.

16. Verumtamen Deus redimet animam meam de manu inferi, cum acceperit me.

17. Ne timueris cum dives factus fuerit homo: et cum multiplicata fuerit gloria domus ejus.

18. Quoniam cum interierit, non sumet omnia: neque descendet cum eo gloria ejus.

12. en hunne graven zijn hunne huizen voor eeuwig,

hunne tenten van geslacht tot geslacht. Zij noemden hun namen bij hunne erven10).

13. En de mensch. wanneer hij in eere is, ziet het niet in; hij lijkt op lastdieren zonder verstand, en hij wordt huns gelijke11).

14. Deze, hun weg, is hun een struikelblok, en daarna scheppen zij in hunne woorden behagen12).

15. Zij worden als schapen geperkt in het doodenrijk; als herder drijft hen de dood,

en beheerschen zullen hen de gerechtigen 's ochtends13), — en hun toeverlaat zal in het doodenrijk verslijten ver van hun heerlijkheid1*).

16. Maar God zal mijne ziel uit de macht van het doodenrijk redden, wanneer Hij mij opneemt14).

17. Vrees niet, wanneer een mensch zich verrijkt heeft, en als de luister zijns huizes is toegenomen.

18. Want als hij sterft, dan neemt hq niet alles mede, en zijne heerlijkheid daalt niet met hem af.

zondaars. De H. Augustinus en anderen leggen dit uit: de dwaze rijke ziet wijzen sterven en toch ziet hij niet in, dat hi zelf zijnen ondergang te gemoet ! gaat.

'*) Er blijft hun niets dan het graf, | dat voor altoos hun woonplaats en tent i is; en toch noemden zij pochend hunne goederen naar hunnen naam, alsof zij ze eeuwig zouden bezitten. De zin van het slot kan echter ook zijn: thans i noemt men nog hunne goederen naar | hunnen naam; ziedaar alles wat overblijft!

u) Hij ziet niet in, dat alles vergankelijk is, en in zijne gehechtheid aan het aardsche handelt hij onzinnig gelijk een redeloos dier. Hebr.: «De mensch in zijn eere heeft geenen duur; hij wordt gelijk aan het redeloos vee, dat vergaat».

**) Die levenswijze, die zij volgen, brengt hen tot verderf, en alhoewel zij (vgl. v. 11) dat moeten inzien, schep¬

pen zij behagen in dwaze leuzen over het genot der rijkdommen, waarmede zij zich gelukkig prijzen. Hebr.: «Deze hun weg is hunne dwaasheid, en die achter hen zijn, hebben behagen in hunnen mond», d. i. waarschijnlijk: hunne nakomelingen en aanhangers keuren hunne woorden goed en volgen hunne raadgevingen.

") Weldra, terstond na den nacht dezes levens, ten dage des oordeels,

zullen de gerecntigen ooven ueu ui» rechters en heerschers verheven zijn.

*•) Hun rijkdom (tieor.: «minne gestalte»), het hulpmiddel, waarop zij zich hier verlaten, zal te met gaan, zoodat zij verre verwijderd van wat hier op aarde hunne heerlijkheid was, in de onderwereld dien toeverlaat zullen ontberen, ï __

") Ten dage dat Hij mij redt. Klaarblijkelijk wordt hier bet geluk der gerechtigen in het andere leven tegenover het ongeluk der zondaars gesteld.

Sluiten