Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18. Quoniam si voluisses sacrificium, dedissem utique: holocaustis non delectaberis.

19. Sacrificium Deo spiritus contribulatus: cor eontritum, et humiliatum Deus non despicies.

20. Benigne fac Domine in bona voluntate tua Sion : ut tedificentur muri Jerusalem.

21. Tune acceptabis sacrificium justitiae, oblationes, et holocausta: tune imponent super altare tuum vitulos.

18. Want hadt Gij eene offergaaf gewild, voorzeker had ik ze gebracht; aan brandoffers hebt Gij geen welbehagen*0).

19. Een offergaaf vöor God is een terneergeslagen geest; een vermorzeld en verootmoedigd hart zult Gij, God, niet versmaden*1).

20. Handel goedgunstig, Heer, in uw welwillendheid met Sion, dat opgebouwd worden de muren van Jerusalem*2).

21. Dan zult Gij aanvaarden eene offergave van gerechtigheid, offeranden en brandoffers; dan zal men op uw altaar varren ieggen.

PSALMUS LI.

PSALM LI.

Boosaardigheid wordt gestraft.

Aanleiding tot dezen Psalm gaf de lastertaal van den verraderlijken< Doeg, opperherder van Saül, en waarschijnlijk het door hem aangerichte bloedPbad - Boosaardigheid van den verrader (v. 3-6) Straf dxe hem wacht (v. 7—9). Voorspoed van den gerechte (v. lO—li).

1. In finem, Intellectus David, 1. Tot het einde. Ter onderrich-

ting1). Van David.

2. Cum venit Doeg Idumaêus, et 2. Toen Doëg, de Idumeër, geko-

»°) Hier worden offers bedoeld zonder innerlijk berouw en offervaardigheid des harten (vgl. Ps.XLIX); zulke offers had David sedert zijne zonde ongetwijfeld wel gebracht; maar die behaagden niet aan God. Hebr.: «Gij verlangt geen offer (d. i. in bovenvermelden zin); ik zou het (anders) geven».

") De geslachtofferde dieren waren het symbool der onderwerping van geest en hart; het waar, Gode aangenaam offer bestond dus in een ziel, diep overtuigd van hare nietigheid en van de boosheid der zonde en vol van berouw over de beleediging van Gods majesteit. \ , .. _

,T) Dit vers en het volgende schonen wel ten tijde der Babylonische gevangenschap bij den Psalm gevoegd te

zijn, alhoewel sommigen ze aan David toeschrijven. * £ ,

— De inhoud van dezen Psalm, waarin van de erfzonde en van David's misdrijf gesproken wordt, braoht het als vanzelf mede, dat verscheiden HH. Vaders het wasschen, besprenkelen, reinigen enz. in verbinding brachten met de uitwerkselen van het H. Doopsel en de andere HH. Sacramenten. Sommigen zien in den driemaal vermelden geest (v. 12—14) de H. Drievuldigheid, èn in het heil (v. 14) den Zaligmaker aangeduid.

') Zie Ps. IV noot 1 en Ps. XXXI nóót 1. De leer van dezen Psalm is, dat de vrome zich door boosaardigheid en laster niet moet laten schokken m zijn vertrouwen op God.

Sluiten