Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Omnes declinaverunt, simul inutiles facti sunt: non est qui faciat bonum, non est usque ad unum. Rom. II12.

5. Nonne scient omnes qui operantur iniquitatem, qui devorant plebem meam ut cibum panis?

6. Deum non invocaverunt: illic trepidaverunt timore, ubi non erat timor.

Quoniam Deus dissipavit ossa eorum qui hominibus placent: confusi sunt, quoniam Deus sprevit eos.

7. Quis dabit ex Sion salutare Israël? cum converterit Deus captivitatem plebis suae, exsultabit Jacob, et laetabitur Israël.

4. Allen tijn afgeweken; altegader zijn ze onnut geworden r niemand is er, die het goede doet, zelfs niet een enkele.

5. Zullen zij niet altegader verstandig worden, die ongerechtigheid begaan; die mijn volk verslinden als eene bete broods?

6. God roepen zij niet aan; daar sidderen zij van vrees, waar niets te vreezen is.

Want God verstrooit de beenderen van die den menschen welgevallig zijn8); te schande worden zij, want God versmaadt hen.

7. Wie zal uit Sion heil aan Israël verschaffen? Als God de gevangenschap zijns volks zal hebben afgewend, zal Jacob juichen en Israël zich verblijden.

PSALMUS LUI.

PSALM LUI.

Gebed om hulp tegen kwaadwilligen.

^Jlï^tZ D,™id'° scfluilPlaatg te* hunnent aan Saül verraden en

*»» den koning uitleveren. - David vraagt daarom hulp aan God tegen zyne goddelooze vijanden (v. 3-5). Die hulp gewordt hem zeker; gebed om verdelging der vijanden; belofte van dankfv. 6—01

1. In finem,

In carminibus intellectus David.

2. Cum venissent Ziphaei, et dixissent ad Saul: Nonne David absconditus est apud nos? I Reg. XXIII 19 et XXVI1.

3. Deus in nomine tuo salvum me fac: et in virtute tua judica me.

1. Tot het einde. Met snarenspel. Ter onderrichting. Van David*).

2. Toen de Ziphieten gekomen waren en tot Saül gezegd hadden: Houdt David zich niet bij ons verborgen*) ?

3. O God, in uwen naam beveilig mij, en in uwe kracht verschaf mii recht8). 1

*) Die namelijk niet naar God vragen, maar enkel en alleen aan de menschen zoeken te behagen. Hebr.: «God verstrooit de beenderen uwer belegeraars; gij maaktet (ze) te schande, want God heeft ze verworpen».

') Zie Ps. IV noot 1 en Ps. XXXI noot 1.

) Hebreeuwsche zegswijze voorDavid schuilt bij ons. David deed zulks tweemaal; hier is waarschijnlijk sprake van zhn eerste verblijf aldaar. Vg • I Reg- XXIII 19 «n XXVI 1

) De naam van God duidt hier evenals elders Gods wezen en eigenschappen aan; eene van deze, zijne kracht of almacht, wordt terstond ver-

Sluiten