Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Et dixi: Quis dabit niibi pennas sicut columbaa, et volabo, et requiescam?

8. Ecce elongavi f ugiens: et mansi in solitudine.

9. Exspectabam eum, qui salvum me fecit a pusiUanimitate spiritus, et tempestate.

10. Prajcipita Domine, drride hnguas eorum: quoniam vidi iniquitatem, et contradictionem in civitate.

11. Die ac nocte circumdabit eam super muros ejus iniquitas: et labor in medio ejus,

12. Et injustitia.

Et non defecit de plateis ejus usura, et dolus.

13. Quoniam si inimicus meus maledixisset mihi, sustinuissem utique.

Et si is, qui oderat me, super me magna locutus fuisset: abscondissem me forsitan ab eo.

14. Tu vero homo unanimis: dux meus, et notus meus:

15. Qui simul mecum dulces capiebas cibos: in domo Dei ambulavimus cum consensu.

7. En flt xeg: Wie geeft mij vleugels als die eener duif? en vliegen zal ik en verademen.

8. Zie, verre ga ik vluchtend henen en ik blijf m de woestijn.

9. Verbeiden zal ik Hem, die mij beveiligt voor kleinmoedigheid des geestes en voor storm5).

10. Stort hen neder, Heer, verdeel hun tongen; want ik zie ongerechtigheid en tegenstreving in de stad6).

11. Bij dage en bij nacht waart rondom haar op hare muren boosheid7), en kwelling is in haren boezem

12. en ongerechtigheid,

en geenszins wijkt van hare straten woeker en bedrog8).

13. Want had mijn vijand nuj gehoond, verdragen had ik het voorzeker9) ;

en had hij, die mij haatte, grootspraak over mij gevoerd, ik hadde mij wellicht voor hem verborgen.

14. Gij echter, eensgezinde man10), mijn gids en mijn vertrouweling,

15. gij, die gezamenlijk met mij zoete gerechten nuttigdetu), in Gods huis verkeerden wij eendrachtig1»).

*) Naar den grondtekst schijnt de dichter zich te willen spoeden naar eene schuilplaats tegen den feilen wind en den storm, nl. der ongelukken.

«) Stort de muitelingen in de wateren van een nieuwen zondvloed of in eenen afgrond, zooals Gq het deedt met Core en zijnen aanhang (Num. XVI 32), en maak, gelijk weleer te Babel (Gen. XI 7—9) dat zij in hun beraadslagingen elkander niet meer verstaan (vgl. II Reg. XV 31—34), in tweespalt geraken en zoodoende ten gronde gaan; «oe zulks, want onrecht en verzet tegen uw en mijn gezag heerschen alom in de stad (v. 10—12).

*) Rondom de stad, op hare muren, in haren boezem, alom worden gruwelen gepleegd. Hebr.: «dag en nacht maken zij de ronde op hare muren,

en boosheid en kwelling is in haren boezem». ,_

8) Door woeker wordt hier af persing, verdrukking, allerlei soort van onrechtvaardig bezit aangeduid.

*) Namelijk als een soort van onvermijdelijk kwaad. Hq haalt hier een tweede reden aan om de muiters te vernielen, nl. hun verraad gepleegd tegen een weldoener en vriend; hier schijnt vooral Achitophel bedoeld te worden (zie II Reg. XV SlKl^

**) Gij, met wien ik steeds in raad en daad overeenstemde, en die mij als gids en vertrouweling ter zijde stondt.

Naar de Septuagint: «die te gelijk de spijzen zoet maaktet», d. L mij door uwen omgang het leven veraangenaamde!. (Vgl I Par. XXVII 38). . "*) Hebr. «met de schare», d. 1. ten

Sluiten