Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Molliti sunt sermones ejus super oleüm: et ipsi sunt jacula.

23. Jacta super Dominum curam tuam, et ipse te enutriet: non dabit in aBternum fluctuationem justo. Matth. VI 25; Luc. XII 22; I Petr. V 7.

24. Tu vero Deus deduces eos, in puteum interitus. Supra V 7.

Viri sanguinum, et dolosi non dimidiabunt dies suos: ego autem sperabo in te Domine.

Zacht zijn zijne woorden meer dan olie, en tevens zijn het schichten.

23. Werp op den Heer uw zorg en Hij, Hij zal u voeden19). In eeuwigheid zal Hij den gerechte niet laten wankelen.

24. Maar Gij, God, zult hen nederstorten in de groeve des verderfs.

Mannen des bloeds en des bedrcgs bereiken niet de helft van hunne dagen20); ik echter hoop op U, o Heer.

PSALMUS LV.

PSALM LV.

Gebed in een groot gevaar.

David op zijne vlucht voor Saül in het nauw gebracht, roept tot God om hulp; hij vertrouwt op Gods beloften fv. 2—5). Boosheid der vijanden; hunne straf volgt op zijn gebed fv. 6—11). Dankbetuiging van David fv. 12—13).

1. In finem, .

Pro populo, qui a Sanctis longe factus est, David in tituli inscriptionem, cum tenuerunt eum Allophyli in Geth. / Reg. XXI 12.

2. Miserere mei Deus, quoniam

1. Tot het einde. Voor het volk, dat van het heiligdom verwijderd is1). Van David; tot opschrift op een gedenksteen. Toen de vreemdelingen2) hem gegrepen hadden te Geth.

2. Ontferm U mijner, God, want

hart van den vijand bedoeld, die (v. 22) met zoete, maar verraderlijke woorden tot David genaderd was.

,0) Eene opwekking, die de Psalmist tot zich zeiven richt. Voor voeden heeft de Septuagint: doorvoeden, d. i. van alles ruimschoots voorzien.

»•) Zij dalen vroegtijdig ten grave.

Deze Psalm wordt niet zelden in

geestelijken zin van David's tegenbeeld, Christus, verstaan, die door Judas, zijnen dischgenoot en vriend, verraden werd, evenals David door Achitophel.

») Aldus ook de Septuagint. De zin is wel: gebed voor het Israëlietische volk, dat in zijn ballingschap te BabyIon van Jerusalem verwijderd is. Hebr.: «voor (op) de stomme duif in de verte».

Sommigen meenen, dat zoowel in de Vulgaat als in den grondtekst David bedoeld wordt, die zich als een weerlooze duif in ballingschap verre van het heiligdom bevond; andereu zien hierin het verbannen volk allegorisch aangeduid; anderen vertalen het: Psalm te zingen naar de wijze van: «De stomme duif». Zie Ps. IV noot 1 en Ps. XV noot 1.

*) Op zijne vlucht voor Saül had David de wijk genomen naar Geth in het land der Philistijnen, een van elders aangekomen volk (zie Amos IX 7), dat daarom hier vreemdelingen, of: van vreemden stam, genoemd wordt; door dezen herkend (zie I Reg. XXI10—15), liep hij het grootste gevaar; waar schijnlijk riep hij in dien nood met dezen Psalm tot God om hulp.

Sluiten