Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMOS LVI.

PSALM LVI.

Nood en vertrouwen.

Wederom een jammerkreet van den vervolgden David. — Gebed en betuiging van vertrouwen fv. 2—3). Gods hulp in nood en zorgen fv. 4—7). Dankbetuiging f8—12).

1. In finem,

Ne disper das, David in tituli inscriptionem, cum fugeret a facie Saul in speluncam. ƒ Reg. XXII1 et XXIV 4.

2. ^ Miserere mei Deus, miserere mei: quoniam in te confidit anima mea.

Et in umbra alarum tuarum sperabo, donec transeat iniquitas.

3. Clamabo ad Deum altissimum: Deum qui benefecit mihi.

4. Misit de ccelo, et liberavit me: dedit in opprobrium conculcantes me.

Misit Deus misericordiam suam, et veritatem suam,

5. Et eripuit animam meam de medio catulorum leonum: dormivi conturbatus.

') Zie Psalm IV noot 1. Vers. 8—12 van dezen Psalm wordt, eenigszins gewijzigd, herhaald in Ps. CVII 2—67

*) Volgens sommigen naar de wijze van het lied. «Verderf niet»; volgens anderen is het een opschrift van liederen, waarin om verschooning en redding wordt gebeden. De inhoud van dezen Psalm, een gebed om levensbehoud, beantwoordt aan dat opschrift

*) Zie Psalm XV noot 1.

*) Hier wordt of wel de spelonk van Odollam bedoeld (vgl. I Reg. XXII 1 en Psalm LV), waar David een schuilplaats vond, toen hij aan de Philistijnen ontsnapt was, of wel die van Engaddi (vgl. f Reg XXIV 4 volg. en Psalm MII), waarheen hij vluchtte na het verraad der Ziphieten.

') De vleugelen Gods zijn het zinnebeeld zijner tegenwoordigheid, almacht

1. Tot het einde1). Verderf niet1). Van David, tot een opschrift op een gedenksteen3), toen. hij .voor Saül vluchtte in de spelonk4).

2. Ontferm ü mijner, God, ontferm U mijner, want op TJ vertrouwt mijne ziel.

En op de schaduw uwer vleugelen zal ik hopen, totdat de ongerechtigheid voorbijgaat5).

3. Lk roep tot God, den Allerhoogste, tot God, die mij weldaden schonk6).

4. Hij reikte uit den hemel en ffij redde mij; te schande maakte Hq die mij vertrapten.

God zond zijne erbarming en zijne trouw7),

5. en Hij redde mijne ziel uit het midden van jonge leeuwen; vol kommer legde ik mij neder8).

en bescherming. De ongerechtigheid is of wel de onrechtvaardige vervolging, aan welke David blootstond, of het levensgevaar, dat hij liep (vgl. v. 5), of wel Saül, die de oorzaak van beide was.

6) Gods gewoonte in het verleden is hem een waarborg voor de toekomst.

/) Verdere beschrijving van Gods bijstand in het verleden, of wel dichterlijke voorstelling der toekomstige vervulling van 's dichters hoop. Barmhartig en getrouw aan zijne beloften reikt God hem een reddende hand toe Vgl. Gen. XXÏV noot 7.

8) De zin der Vulgaat is: mijne vijanden omringen mij als wilde dieren, terwijl ik uitgeput ben van kommer. De grondtekst beteekent waarschijnlijk: «mijne ziel is te midden van leeuwen; ik lig onder vlammenden (tusschen felle roofdieren) onder menschen, wier tanden zijn» enz!

Sluiten