Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Juda rex meus:

10. Moab olla spei mea?.

In Idumseam extendam calceamentum meum: mihi alienigena? subditi sunt.

11. Quis deducet me in civitatem munitam? quis deducet me usque in Idumseam?

12. Nonne tu Deus, qui repulisti nos: et non egredieris Deus in virtutibus nostris?

13. Da nobis auxilium de tribulatione: quia vana salus hominis.

14. In Deo faciemus virtutem: et ipse ad nihilum deducet tribulantes nos. Jnfra CVII13, 14.

Juda mijn koning10).

10. Moab is het bekken mijner hoop11). 1

Naar Edom strek Dc mhn schoeisel uit; Mq zijn vreemdelingen onderworpen. —

11. Wie zal mij geleiden in de versterkte stad? Wie zal mij geleiden tot in Edom12)?

12. Zult Gij het niet, o God. die ons verstooten hadt, en zult Gij, o

| God, niet uitrukken met onze legerscharen?

13. Schenk ons redding uit den nood; want ijdel is de hulp eens menschen.

14. Met God zullen wij manhaftigheid betoonen, en Hij, Hij zal te niet doen onze kwellers18).

zijn volk de heidenen, die in v. 10 aangeduid worden door Moab, Edom en de vreemdelingen of Philistijnen (vgl. Ps. LV 1).

)> God wordt hier voorgesteld als een bevelhebber; Epkraïm, de sterkste stam, die de veiligheid des Rijks verzekert, is de sterkte, de beschutting, van zijn hoofd, d. i. zijn helm, en Juda, de zetel der regeering, is (naar het Hebr. «zijn schepter», d. i. naar de Vulgaat) zijn koning, m. a. w. de door Hem uitgekozen vorstenstam.

") De onderwerping en vernedering der heidenen wordt hier in beeldspraak uitgedrukt: Moab wordt gelijk aan een bekken, waarin de overwinnaar zijn voeten hoopt te wasschen; Edom wordt als een slaaf, die de voeten, welke zijn heer tot hem uitstrekt, van hun schoeisel moet ontdoen of, naar den grondtekst, aan wien hij z0n schoeisel toewerpt, nl. om het te bewaren of te reinigen. — Sommigen beschouwen al het voorafgaande

als woorden, niet van God, maar van David, en leggen v. 10 uit: op de onderwerping van Moab heb ik al mijn hoop gezet; ik ruk op naar Edom, en de Philistijnen zullen mij onderworpen worden.

1S) Steunende op Gods beloften verlangt David nu niets vuriger, dan naar Edom op te rukken; hij vertrouwt dat God zijn leger daarheen zal begeleiden. De versterkte stad is hier waarschijnlijk de hpofdstad van Edom.

") Het Grieksch kan hier gelijk in Ps. XIV 4 beteekenen: voor niets achten of verachten. Vgl. Ps. LVHI 9. „~ De HH. Augustinus, Hilarius, Hieronymus en anderen vinden in dezen Psalm een gebed der Kerk: in den beginne vervolgd en onderdrukt, veroverde zij weldra, naar de beloften haar door God bij-monde van haren goddelijken Stichter gedaan, de geheele heidensche wereld.

Sluiten