Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS LXm.

PSALM LXIIL

Gebed om hulp tegen sluwe vijanden.

^alm^vnZi,!^ Wellicht <n detelfde omstandigheid als

nT™ It'J t bidt om bescherming tegen zijne vijanden fv. 2, 8). Dezen hebben alles tot zijnen ondergang voorbereid (v. 4-7). God echter sol hen straffen tot zijn verheerlijking fv. 8—11)

1. Tot het einde. Een Psalm van David1).

2. Verhoor, o God, mijn bede als ik smeek; ontruk aan de verschrikking van den vijand mijne ziel2).

3. Gij beschermdet mij tegen het rot der booswichten, tegen de menigte van hen, die onrecht plegen3).

4. Want zij hebben hunne tongen f uueen zwaard gewet; gespannen hebben zfl den boog, een bittere zaak4),

5-,.°Fa ln het verborgen met hun schichten den onschuldige te treffen5).

6. Plotseling schieten zij hun pijlen op hem af en vreezen niet; vastgesteld hebben zij bij zich een boosaardig woord;

zij hebben afgesproken, strikken te verbergen, zij hebben gezegd: Wie zal naar hen omzien6)?

1. Lu finem, Psalmus David.

2. Exaudi Deus orationem meam cum deprecor: a timore inimici eripe animam meam.

3. Protexisti me a conventu malignantium: a mul ti tudine oper an tium iniquitatem.

4. Quia exacuerunt ut gladium linguas suas: intenderunt arcum rem amaram,

5. Ut sagittent in occultis immaculatum. Supra X 2.

6. Subito sagittabunt eum, et non timebunt: firmaverunt sibi sermonem nequam.

Narraverunt ut absconderent laqueos: dixerunt: Quis videbit eos?

den (v. 10), ter helle voeren; dezen immers zouden uitgeleverd worden aan het zwaard der Romeinen en na hun dood het aandeel, de prooi, der duiveleni zijn. Aldus o. a. Eusebius, de HH. Hieronymus, Augustinus, Hilarius en na hen Dionysius Oarthusianus.

') Zie Psalm IV noot 1.

) De aandrang, waarmede hij smeekt, zal, zoo hoopt hij, God tot hulp bewe^ gen. De redenen van dien aandrane riil^ I?ne Wden (v. 3) zijn talsluw (7v }fiTeni3nig' (v' 5) «tftaög en ^moT'K(Y; .6) zï,nder vreeze Gods en vast besloten alle kwaad te plegen (v. 7), dat zij konden verzinnen. Aan die oorzaken van schrik hoopt hij ontrukt te worden.

'~ u . *u,ëaat is dit een beroep op het verleden om God tot hulp

te bewegen, of de gehoopte hulp wordt profetisch als reeds verleend uitgedrukt. Hebr.: «bescherm nüj» enz.

*) Zij voeren een vlijmende lastertaal ol wel : zn uiten moordbesluiten tegen mij. Zn spannen den boog, d. i. smeden moorddadige plannen, een voor mij bittere zaak, en zijn voor mij des te gevaarlijker, daar zij (v. 5) heimelijk en (v. 6) onverhoeds hunne pijlen op mn afschieten, d. i. mij belasteren of mijn leven belagen.

6) De onschuldige is hier David zelf die zich onschuldig weet aan hetgeen hem ten laste gelegd wordt (zie Psalm XVII noot 18).

*) Zij vreezen noch de straffen der menschen noch de wraak van den rechtvaardigen God; zij hebben het

«F. nen besproken plan onherroepelijk vastgesteld; zij hebben uiteengezet, hoe zij mij heimelijk strikken zullen

Sluiten