Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Scrutati sunt iniquitates: defecerunt scrutantes scrutinio.

Accedet homo ad cor altum:

8. Et exaltabitur Deus. Sagitt» parvulorum facta? sunt

plagse eorum:

9. Et infirmatae sunt contra eos lingua? eorum.

Conturbati sunt omnes qui videbant eos:

10. Et timuit omnis homo.

Et annuntiaverunt opera Dei: et facta ejus intellexerunt.

11. Lastabitur justus in Domino, et sperabit in eo, et laudabuntur omnes recti corde.

7. Zij hebben ongerechtigheden uitgevorscht; ten einde zijn zij met spitsvondig vorschen').

Een mensch genaakt tot een diep hart8),

8. en hoog wordt God verheven9)! Pijlen van kinderen worden hunne wonden10),

9. en ontzenuwd worden tegen hen hun tongen.

Allen ontstellen, die hen zien"),

10. en vrees bevangt een ieder, en zij verkondigen de werken Gods

en geven acht op zijne daden").

11. Verblijden zal zich de gerechtige in den Heer, en hij zal op Hem

i hopen, en roemen zullen allen, die I oprecht van harte zijn18).

spannen, terwijl zij, om zich zeiven (of elkander) daartoe aan te moedigen, zeg: gen • Wie tal naar hen omzien, die wij vervolgen? Er is geen God, die zich om hen bekreunt.

n Rijpelijk hebben zrj onderzocht, welke ongerechtigheid zq in het werk kunnen stellen om mij te verderven en hebben nu hun doortrapt verzinnen ten einde gebracht.

8) Het hart, het denkvermogen (vgl. Ps. XIII noot 3), staat hier in plaats van de plannen, die het smeedt. Vermoedelijk is dus de zin: zij zijnjv. 7) ten einde en klaar met hun verzinnen en nu komt men tot (de uitvoering van) een diepdoordacht plan; maar (v. 8) God maakt hen te schande. Mogelijk heeft ook in dien zin de Septuagint: «een man nadert en een diep hart» (en een diepzinnig plan)! Let men op hetgeen volgt in v. 8 enz., dan luidt dit sarcastisch. De grondtekst heeft waarschijnlijk: «'s menschen binnenste en hart is diep; (v. 8) maar God zal op hen (zijn pijlen) afschieten: plotseling zullen hunne wonden zijn».

•) Hoe diepzinniger het plan van den booshartigen mensch is, des te hooger verheft, d. i. verheerlijkt, zich God door de verijdeling daarvan. Waarin die verheerlijking bestaat, zegt v. 8—11.

") Naar het parallelisme van hetgeen volgt, is de vermoedelijke zin: hunne kracht is verlamd; de wonden, die zij slaan, zijn gering gelijk die, welke

door pijlen van zwakke kinderen veroorzaakt worden (of wel: zij verwonden zich met hun eigen pijlen, gelijk kinderen zulks doen); de aanslagen hunner booze tongen zijn krachteloos te°-en anderen en keeren zich tegen hen zeiven. Het Hebr. kan beteekenen: «zij vallen; op hen komt hunne tong».

") Hebr. «allen zullen (spottend) het hoofd schudden, die hen zien».

**) Zij verkondigen, d. i. verheerlijken Gods rechtvaardigheid, letten daarop en zien die in zijne beschikkingen.

1S) De gerechtige is hier Davia zelf, die onrechtvaardig vervolgd wordt, en met hem allen, die vervolging lijden om de gerechtigheid.

Niet weinigen onder de HH. vaders en na hen o. a. Bellarminus leggen dezen Psalm hetzij in zijne letterlijke, hetzij in typische beteekenis uit van Christus, die vóór en gedurende zijn lijden tot zijnen Vader (v. 2—3) om bijstand riep tegen zijne vijanden, welke Hem allerlei strikken spanden, Hem (V. 4—6) met hunne venijnige tongen bij Pilatus belasterden en naar een sluw verzonnen plan (v. 7a) zijnen ondergang wilden bewerkstelligen. Christus (aldus de H. Aug. en Bellarm.) stelde zich (v. 76) als mensch vrijwillig bloot aan de uitvoering van dat plan, maar werd ook (v. 8) juist daarom (zie Philipp. II 8—11) als Godmensch verheven. De wonden (v. 86), Hem door de Joden geslagen, bleken bij zijne

Sluiten