Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35. Date gloriam Deo super Israël, magnificentia ejus, et virtus ejus in nubibus.

86. Mirabilis Deus in sanctis suis, Deus Israël ipse dabit virtutem, et fortitudinem plebi sus, benedictus Deus.

| 35. Geeft eere aan God! Over \ Israël is zijne heerlijkheid, en zijne

macht in de wolken34).

36. Ontzaglijk is God in zijn hei| ligdommen35); Hij, Israëls God, Hij | geeft kracht en sterkte aan zijn

volk. Geprezen zij God!

heffing naar den hemel gaat gepaard met het geschal van zijne stem, d. i. zijnen donder.

M) Hebr.: «geeft macht aan God», d. i. erkent zijne macht. Uit den hemel beheerscht Hij Israël met majesteit, en zijne macht is alom zichtbaar en dus alom te prijzen. Sommigen verbinden: «Geeft eere aan God over Israël; zijne heerlijkheid en macht zijn in de wolken».

") Blijkens den grondtekst beteekent «sanctis» hier niet de gerechten, maar het heiligdom. Het meervoud doelt hier op de onderdeelen van het i eene heiligdom of wellicht op Gods machtsbetoon in de verschillende plaatsen, waar Hij van Sinaï tot op Sion achtereenvolgens tegenwoordig was.

— De Apostel wijst Eph. IV 8 volg. op v. 19 van dezen Psalm bij het bespreken van Christus' verrijzenis, nederdaling ter helle en hemelvaart en j van de genaden, die Hij had verworven en zou uitdeelen. Eenparig zien de Ka- ] tholieke schriftverklaarders, de oudere i in den letterlijken, de nieuwere veeleer inden typischen zin, den ganschen Psalm aan als* een voorspelling over den Messias, die na zijne komst hier op aarde | ten hemel opstijgt om door het herboren menschdom gehuldigd te worden. Staat Hij op (v. 2) bij zijne mensch- j wording, dan zullen zijne haters (v. 8), de duivelen, ter helle varen, de gerechtigen integendeel (v. 4) het eucharistisch . vreugdemaal houden om hunne verlossing te vieren. Zijn Voorlooper (v. 5) bereidt den weg voor Hem, die in het verborgen zijn leven begint, maar de Heer des hemels is. Den duivel slaat Hij met ontzetting, den armen en zwakken (v. 6) verleent Hij hulp als de !

God, die m Kerk en hemel regeert, in die Kerk (v. 7) vereenigt Hij allen, die zich bij Hem aansluiten, ook de vrijgekochte zondaars. Bij die verlossing (v. 8—11) dropen de hemelen van genaden en geestelijk manna om zijne kudde te versterken, totdat zij de haar bereide erfenis verwierf. Aan de verkondigers van het Evangelie (v. 12) gaf Hij het bekeerende machtwoord en aan de leden zijner beminde Kerk (v. 13) overvloedige genaden; met die gaven van den H. Geest versierd (v. 14), is de Kerk schoon als een blanke duif; nu de duivelen overwonnen zijn (v. 16), prijkt zij in vollen glans; zo is (v. 16—17) Gods eeuwige woonplaats, waar Hij (v. 18) over duizenden heerscht. Na dat verworven te hebben, stijgt (v. 19) de Messias ten hemel met de verlosten uit de onderwereld; de verworven genaden verdeelt Hij onder de menschen; ook de heidenen ontvangen hun deel. Zoo redt Hij (v. 20—21) het menschdom van den dood en verplet Hij (v. 22—24) de vijanden der zijnen. Zoo verheerlijkt Hem dan de stoet der geredden (v. 25—28): met name de maagden (daarbij vooral de Jonkvrouw bij uitstek, zegt de H. Augustinus) en de apostelen. Dat werk der genade zal de Messias bevestigen (v. 29); de Kerk breidt zich uit (v. 30); haar vijanden worden te niet gedaan (v. 31), de heidenen (v. 32—33) bekeeren zich, Ethiopië het eerst (vgl. Act. Vin 27), en prijzen Christus (v. 34), die ten hemel opvaart, terwijl zijne boodschap met kracht verkondigd wordt. Zoo heerscht Hij (v. 35, 36) in zijne Kerk op aarde en in den hemel ten zegen der zijnen.

Sluiten