Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMÜS LXVm.

PSALM LXVIII.

Gebed van een vervolgden onschuldige.

De Psalmüt is in bangen nood; hy wordt zonder reden vervolgd; hii weet dat hij een zondaar is; toch hoopt hij op Gods hulp fv. 2—7). Hij lijdt om Goa en zijnen dienst fv. 8—13); daarom bidt hij met vertrouwen, maar ook dringend om hulp in zijne ellende fv. 14—22) en tevens om kastijding zijner boosaardige vervolgers fv. 28—29). Dank en lof wegens die hulp fv. 30—32); God verleent die aan alle onderdrukten tot hunne vreugde fv. 38—34). Geprezen zij God, want Hij schenkt ook aan Israël zegen en hulp fv. 35—37,;.

1. In finem, pro iis, qui commutabuntur, David.

2. Salvum me fae Deus: quoniam intraverunt aquae usque ad animam meam.

3. Infixus sum in limo profundi: et non est substantia.

Veni in altitudinem maris: et tempestas demersit me.

4. Laboravi clamans, raucae factae sunt fauces mess: defecerunt oculi mei, dum spero in Deum meum.

5. Multiplicati sunt super capillos capitis mei, qui oderunt me gratis. Joann. XV 26.

Confortati sunt qui persecuti sunt me inimici mei injuste: qua, non rapui, tune exsolvebam.

6. Deus tu seis insipientiam meam: et delicta mea a te non sunt abscondita.

1. Tot het einde. Voor hen, die veranderd zullen worden. Van David1).

2. Red mij, o God, want wateren zijn binnengedrongen tot aan mijne ziel*).

8. Ik steek in het slijk der diepte, en er is geen vaste grond.

Lu de diepte van de zee ben ik gekomen, en een stormvloed heeft mij overstelpt8).

4. Afgemat ben ik van het roepen; heesch geworden is mijne keel, verzwakt zijn mijne oogen, terwijl ik hoop op mijnen God4).

5. Talrijker dan de haren van mijn hoofd zijn zij, die zonder grond mij haten.

Machtig zijn die mij vervolgen, die mijne haters zijn ten onrechte; wat ik niet geroofd heb, betaal ik alsdan uit5).

6. O God, Gij kent mijn dwaasheid, en mijne euveldaden zijn voor U niet verborgen6).

l) Zie Psalm IV noot 1 en XILV noot 2. Sommigen schrijven dezen Psalm toe aan Jeremias. Niets belet echter het opschrift voor juist te houden en het slot van den Psalm (v. 30—37 of 38—37 of 35—37) als een bijvoegsel uit den tijd der gevangenschap te beschouwen. Volgens de meesten handelt deze Psalm in den letterlijken zin van David en in den typischen van Christus.

• *) Wateren, d. L groote rampen, brengen mijne ziel, d. i. mijn leven, m gevaar. *) Ik zit in een slijkpoel van ellende

en kan geen vasten voet vinden om mij er uit te trekken; in een zee van rampen ben ik geraakt ten gevolge van een stormvloed van vervolgingen.

4) Ik heb mij heesch geschreeuwd en moede uitgezien naar hulp.

*) Naar het schijnt, een spreekwoord voor: Ik moet zonder schuld dan boeten, nl. als zij mij kwellen.

*) Gij kent al de zonden, die ik in mijne dwaasheid beging en, wat meer is, de door mij gepleegde euveldaden; maar Gij weet ook, dat ik voor het overige onschuldig ben.

Sluiten