Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Non erubescant in me qui ex- i spectant te Domine, Domine virtutum.

Non confundantur super me qm quserunt te, Deus Israël.

8. Quoniam propter te sustinui oppr obrium: operuit conf usio f aciem meam.

9. Extraneus factus sum fratribus meis, et peregrinus filiis matris me».

10. Quoniam zelus domus tu» comedit me: et opprobria exprobrantium tibi, ceciderunt super me. Joann. II17; Rom. XV S.

11. Et operui in jejunio animam meam: et factum est in opprobrium mini.

12. Et posui vestimentum meum cilicium: et factus sum illis in parabolam.

13. Adversum me loquebantur qui sedebant in porta: et in me psallebant qui bibebant vinum.

14. Ego vero orationem meam ad te Domine: tempus beneplaciti Deus.

Lu multitudine misericordi» tu» exaudi me, in veritate salutis tu»:

7. Dat om mij niet schaamrood worden die U verbeiden, Heer, o Heer der legerscharen!

Dat om mijnentwille niet te schande worden die U zoeken, God van Lwaël7).

8. Want om Uwentwege lijd ik smaad, bedekt beschaming mijn gelaat8).

9. Een vreemdeling ben ik geworden voor mijne broeders, en een uitheemsche voor de zonen mijner moeder*). .

10. Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd — en de beschimpingen van hen, die U versmaden, zijn op mij neergekomen10).

11. En ik omhulde mijne ziel met vasten — en het werd mij tot een versmading11);

12. en tot mijn gewaad nam ik een boetkleed — en ik werd hun tot een spreekwoord12).

13. Tegen mij roeren den mond die zitten in de poort, en de wijndrinkers zingen op mij een spotlied13). : , _ ._

14. Doch ik, mijne bede richt ik tot U, o Heer, het is een tijd van welgevallen, God!

Verhoor mij in den overvloed van uwe goedertierenheid; in de trouw van uVe hulp14).

'•) Ik word met schande overladen, als ik tevergeefs tot ü roep, en die schande valt terug op hen (op mijne lotgenooten), die Ü verbeiden en zoeken, d. i. die, gelijk ik, op uwe hulp rekenen of U aanbidden.

8) Een reden om verhoord te worden is, dat de zanger om wille van Gods wet en eer (vgl. v. 10 volg.) vervolging lijdt.

*) Vreemdeling was oudtijds met zelden gelijkluidend met vijand. Geen grievender smart, dan door de zijnen verlaten te worden in het lijden.

»•) Verklaring van v. 8: de heilige ijver, die in mij blaakte voor uwen dienst, uwe verheerlijking in het heiligdom, berokkende mij de versmading uwer vijanden.

") Naar het Grieksch van den Codex

Vatic.: «ik kromde» of «ik vernederde mijne ziel». Hebr. vermoedelijk: «en ik weende; in het vasten (is) mijne

") Het boetkleed was oorspronkelijk een gewaad van (Cilicisch) geitenhaar; het diende ook als rouwgewaad (vgl. Ps. XXIX 10). Daar de Psalmist zulk een kleed draagt, noemen zijne vijanden hem spottend en spreekwoordelijk den boeteling, om hem als een ellendigen dwaas aan te duiden, die tevergeefs daardoor bevrijding zoekt.

") Zie Psalm IX noot 10. Nergens wordt de vroomheid meer bespot dan in de vergaderingen van lediggangers en bij drinkgelagen.

") Het groote verdedigingswapen is het gebed; daarom wendt hij zich tot God in den tijd van welgevallen, d. I.

Sluiten