Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Confitebimur tibi Deus^ confitebimur, et invocabimus nomen tuum.

Narrabimus mirabilia tua:

3. Cum accepero tempus, ego justitias judicabo.

4. Liquefacta est terra, et omnes qui habitant in ea: ego confirmavi columnas ejus.

5. Dixi iniquis: Nolite inique agere: et delinquentibus: Nolite exaltare cornu:

6. Nolite extollere in altum cornu vestrum: nolite loqui adversus Deum iniquitatem.

7. Quia neque ab oriente, neque ab occidente, neque a desertis montibus:

8. Quoniam Deus judex est. Hunc humiliat, et hunc exaltat:

9. Quia calix in manu Domini vini meri plenus misto.

2. Loven zullen wij U, o God! wij zullen U loven en uwen naam aanroepen.

Verkondigen zullen wij uwe wonderdaden2).

3. Als Lk den tijd waarneem, zal De gerechtigheid richten3).

4. De aarde smelt weg en allen, die er op wonen. Lk, Lk heb hare zuilen bevestigd4).

5. Lk zeg tot de boozen: Handelt niet wederrechtelijk, en tot de zondaars: Verheft niet den hoorn5).

6. Steekt uwen hoorn niet in de hoogte, spreekt tegen God geene boosheid.

7. Immers, noch uit het oosten noch uit het westen noch van het verlaten gebergte6).

8. Want God is rechter.

Dezen vernedert en genen verheft Hij.

9. Want in de hand des Heeren is een beker met zuiveren wijn, vol gemengden wijn.

en XLIX noot 1. Vrij algemeen neemt men aan, dat deze Psalm dagteekent I van het beleg van Jerusalem door Sennacherib ten tijde van koning Eze- | chias. In verband met de voorspelling van Isaias XXXVII 33 is deze Psalm eene uiting van vast vertrouwen op Gods hulp, en Psalm LXXV een dank¬

betuiging voor net verieeiieu uaaivau. Opmerkelijk genoeg komt de inhoud

van Psalm LXXIV overeen met aien van Anna's lied I Reg. II 1—10- .

') In zijn vast vertrouwen op Gods toegezegde hulp, belooft de Psalmist hier bi] voorbaat een warme dankbetuiging. De grondtekst heeft: «wij danken U, o God, wij danken; want nabij is uw naam». B . n a

s) De Psalmist laat in v. 3—4 God optreden en zeggen, dat Hij rechtvaardige vonnissen zal vellen en dus de «jnen helpen, als Hij den tijd waarneemt, d. £ het oogenblik gekomen acht en het benuttigt.

•) De zin blijkt wel deze: de rampen, die de aarde, en dus ook Israël, overstelpen door toedoen der boozen (der Assyriërs), zijn zoo hoog gestegen, dat

zij als was wegsmelt, d. i. haren ondergang nabij is (vgl. Ps. XLIV 8); maar geen nood! Ik, de Almachtige, Ik heb hare zuilen bevestigd, d. i. de aarde gegrondvest. .

•) Sommigen meenen, dat God in v. 5—6 voortgaat. Volgens de meesten roept in v. 5—9 de Psalmist of het volk den boozen (Hebr.: «den snoevers», d. i. den Assyriërs, vgl. IV Reg. XVIII 23) toe: Pleegt geen onrecht; verheft u niet op uwe macht, want gij zult vernederd worden; spreekt niet onbeschaamd tegen God; want gij ...i» L-oiL- van 7iinAn toorn ledieen

tot den droesem toe. Vgl. Ps. XVII

noot 4. -vi* •) In zijne geestvervoering breekt de dichter hier af en verzwijgt de woorden: «verwachten wij hulp», om terstond van de verbeide redding te spreken, die niet van de volkeren uit het oosten,

\ het westen of het verlaten gebergte, nl. ten zuiden van Judea, dus uit het zuiden, maar van God uit den hooge

I komt: want Hh' is rechter, d. L Hn

I geeft aan ieder, dus ook ons en u, wat

I hij verdiend heeft.

Sluiten