Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Et inclinavit ex hoe in hoe: verumtamen faex ejus non est exinanita: bibent omnes peccator es terras.

10. Ego autem annuntiabo in saeculum: cantabo Deo Jacob.

11. Et omnia cornua peccatorum oonfringam: et exaltabuutur cornua justi.

En Hij giet neder uit dezen in genen; doch zijn droesem is niet geledigd; drinken zullen alle zondaars der aarde7).

10. Maar ik, ik wil het verkonden in eeuwigheid. Zingen zal ik voor den God van Jacob8).

11. En alle horens der zondaars zal ik verbreken; en verheffen zullen zich de horens van den rechtvaardige9).

') De straffen, die de goddelijke Rechter over u (Assyriërs) doet nederdalen, zullen u van de been brengen evenals zuivere, niet met water aangelengde, maar uit verschillende soorten vermengde en daarom sterk bedwelmende wijn. God heeft daarmede een schenkkan gevuld, en terwijl Hij die neigt, giet Hij daaruit den wijn van zijnen toorn in genen, d. i. in uwen, drinkbeker; en zijn toorn is niet gering, noch voorbijgaand; want nog rest de droesem van dien lijdenskelk; en alle zondaars der wereld zullen dien drinken, totdat de droesem geledigd, d. i. Gods rechtvaardigheid zal voldaan zijn. Vgl. Is. XXXVII 36—38 en IV Reg. XIX 32—36. Sómmigen vertalen: Hij neigt (den beker) van deze zijde naar gene, d. i. Hij dwingt allen te drinken. De grondtekst heeft: «Want een beker is in de hand des Heeren en hij schuimt van wijn, Jxtj is vol van mengsel en Hij schenkt daaruit. Zijnen droesem moeten slurpen, drinken de zondaars I op de aarde».

8) Vol vertrouwen op de toegezegde en reeds bezongen hulp herhaalt de Psalmist in den naam van Israël zijne voornemens en beloften van v. 2.

9) Gesterkt door God, die de kracht van den rechtvaardige verheft, zal hij I

| medewerken om de macht van den booshartigen vijand te verbreken. Niet wemigen meenen, dat v. 11 evenals v. 3—4 alleen passen kan in den mond van God, die hier door den Psalmist opnieuw zijne hulp toezegt. .— De HH. Augustinus en Athanasms en na hen Euthymius, Bellarminus, Dionysius Carthusianus en anderen zien in dezen Psalm een voorspelling van het laatste oordeel, dat Christus zal komen houden als zijn tijd (v. 3) gekomen is. Dan zal de aarde door een verslindend vuur wegsmelten en al hare bewoners zullen omkomen; intusschen zal God de rechtvaardigen, de steunpilaren der wereld, behouden (v. 4). Den hoogmoedigen daarentegen zal het slecht vergaan: zij zullen zich noch in het oosten noch in het westen kunnen verschuilen (v. 5—7) voor het oog van den goddelijken Rechter, die alsdan de zondaars zal vernederen en straffen, de rechtvaardigen verheffen (v. 8—10); Hq zal zijnen toorn ten volle uitgieten over alle zondaars der aarde. De Kerk integendeel zal Hem eeuwig verheerlijken; de macht der duivelen zal gebroken, die van den Rechtvaardige, nl. van Christus, zal verheven worden (v. 11).

Sluiten