Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

PSALMUS LXXVI-

PSALM LXXVI.

God heeft geholpen: Hij zal helpen.

Reeds geruimen tijd verkeert het volk in nood. Zielkundig beschrijft de Psalmist hoe hij zich daarbij bemoedigt. Richtte hij zieh tot God, dan vond hij steeds verhooring fv. 2); werd hij gekweld of was hij troosteloos: het gebed en de gedachte aan God verschaften hem hulp en geneugte fv. 3—4a). Sedert eenigen tijd nu werd hij wederom gekweld bij het navorschen der reden van den nood des volks fv. 4b—7). Zij kan niet liggen in een gebrek aan barmhartigheid bij God fv. 8—10). Dat ziet hij in, en nu bemoedigt hij zich bij de gedachte, dat alles een beschikking van denzelfden God is, die vroeger wonderdaden verrichtte ten bate van Israël fv. 11—16), vooral bij den uittocht uit Egypte fv. 17—21).

ti In finem, pro Idithun, Psalmus i 1. Tot het einde. Voor Idithun. Asaph. Een Psalm van Asaph1).

2 Voce mea ad Dominum clamavi: 2. Met mijne stem riep ik tot den voce mea ad Deum, et intendit mihi. Heer, met mijne stem tot God, en

Hij gaf acht op mq*).

3 In die tribulationis meae Deum 3. Ten dage mijner kwelling zocht exquisivi,manibusmeisnoctecontra ik God, mijne handen \nden nacht euni: et non sum deceptus. | "Sj^S^-*^^

Renuit consolari anima mea, Mijne ziel wilde zich niet laten

troosten4).

4 Memor fui Dei et delectatus 4. Ik was aan God gedachtig en sum, et exercitatus sum: et defecit ik smaakte geneugte;—en ik over-

. .* 1 peinsde, en mijne ziel bezweek.

spiritus meus. p ' 1 ,

5. Anticipaverunt vigilias oculi 5. Mijne oogen hepen de nachtmei: turbatus sum, et non sum waken vooruit, ik was ontsteld en

locutus. 8Prak met5>; i

6. Cogitavidiesantiquos:etannos 6. Ik herdacht aloude dagen, en aeternos in mente habui. eeuwige jaren had ik voor den

l geestb),

l) Zie Ps. IV noot 1; XXXVIII noot 1 en XLIX noot 1. Wanneer deze Psalm gedicht werd, is niet met zekerheid te bepalen.

*) Met mijne, d. i. met luider, stem drukt de vurigheid van het verlangen uit; acht geven beteekent hier en elders verhooren, evenals «zich afwenden» gelijk staat met niet verhooren.

3) De Psalmist verhaalt wat hem vroeger wedervaren is. Mogelijk is echter het voorafgaande de slotsom, waartoe hij nu gekomen is, na het doorworstelen van hetgeen volgt.

*) Soms was mijn gekwelde ziel voor geen troostgronden vatbaar; dacht ik dan echter (v. 4) aan God, dan ver¬

anderde die kwelling in geneugte; overpeinsde ik dan weder de langdurigheid onzer rampen en de reden daarvan, dan schoten de krachten van mijnen geest te kort.

6) Vódr de ballingschap was bij de Joden de nacht in drie, later in vier I nachtwaken verdeeld. De zin is hier: ! ik was wakker vóór elke nachtwake, m. a. w. ik lag daar slapeloos, in ontI stel ten is en stomme smart.

•) Nu dacht ik na, hoe God voor I eeuwige, d. i. onheuglijke, jaren reeds ons volk wel om zijne zonden verworpen en aan den vijand prijsgegeven, I maar ook steeds weder aangenomen en | door wonderdaden verlost had.

Sluiten